Carter et al., 2004 – Artikel
In de afgelopen tien jaar is er aanzienlijke vooruitgang geboekt in het begrijpen en meten van sociaal-
emotionele problemen, competenties en psychopathologie bij jonge kinderen. Het is duidelijk
geworden dat veel zeer jonge kinderen psychopathologische aandoeningen vertonen, en deze
problemen neigen vaak tot persistentie. Het identificeren en interveniëren bij vroeg optredende
psychopathologie wordt als van groot belang beschouwd.
Nieuwe meetinstrumenten zijn ontwikkeld voor het beoordelen van sociaal-emotionele problemen
en competenties, en deze zijn beschikbaar voor gebruik in diverse settings, waaronder pediatrische
praktijken, kinderopvanginstellingen en klinische onderzoeksomgevingen. Het artikel benadrukt
echter ook de uitdagingen bij het beoordelen van jonge kinderen en het begrijpen van hun gedrag
binnen relevante ontwikkelings-, relationele en culturele contexten.
De tekst wijst op de noodzaak van vroege detectie en interventie, gezien het bewijs dat jonge
kinderen wel degelijk sociaal-emotionele problemen kunnen ervaren, en deze problemen vaak
persistent zijn. Er is weerstand geweest tegen het erkennen van psychopathologie bij jonge kinderen,
deels vanwege zorgen over stigmatisering en de nadruk op cognitieve en taalkundige ontwikkeling.
Desondanks benadrukt het artikel het belang van vroegtijdige screening en interventie, ondanks
maatschappelijke opvattingen dat de kindertijd een 'heilige' en gelukkige tijd is.
Het artikel benadrukt ook de uitdagingen bij het integreren van gegevens uit verschillende bronnen
en het belang van het begrijpen van de beperkingen en sterke punten van verschillende
beoordelingsmethoden. Het pleit voor een holistische benadering, waarbij zowel het kind als het
gezin worden beoordeeld, rekening houdend met culturele invloeden op gedrag en emoties.
Tot slot wordt de noodzaak van vroegtijdige screening van ontwikkelings- en gedragsproblemen
benadrukt, met het oog op tijdige interventies en ondersteuning. Verschillende screeningtools en
gestandaardiseerde assessments worden besproken, inclusief hun toepasbaarheid en beperkingen.
Het artikel concludeert dat ondanks de vooruitgang in het veld, het essentieel is om psychopathologie
bij jonge kinderen serieus te nemen en te blijven streven naar verbetering van identificatie- en
interventiediensten.
, Einspieler & Prechtl, 2005 – Artikel
Dit artikel bespreekt het belang van het observeren en beoordelen van zogenaamde algemene
bewegingen (GMs) bij baby's als een vroege marker voor hersenbeschadiging en disfunctie. GMs zijn
spontane, complexe bewegingspatronen die vanaf de vroege foetale periode tot het einde van het
eerste halfjaar van het leven aanwezig zijn. Deze bewegingen, die het hele lichaam betrekken,
veranderen in intensiteit, kracht en snelheid en hebben een vloeiende en elegante kwaliteit.
Het artikel beschrijft dat afwijkingen in GM-patronen kunnen wijzen op latere cerebrale parese (CP).
Specifiek worden twee abnormale GM-patronen genoemd die betrouwbaar voorspellend zijn voor
latere CP: 1) een aanhoudend patroon van krampachtige, gesynchroniseerde GMs, en 2) het
ontbreken van GMs van fidgety-karakter, kleine bewegingen met variabele acceleratie.
Het beoordelen van GMs wordt beschouwd als een snelle, niet-invasieve en kosteneffectieve
methode in vergelijking met andere technieken zoals magnetische resonantie beeldvorming en
neurologisch onderzoek. Het artikel benadrukt ook het belang van het waarnemen van spontane
bewegingen als een marker voor neurologische disfunctie, in tegenstelling tot traditionele reflex- en
responsmetingen.
Tot slot wordt ingegaan op de training die nodig is voor het beoordelen van GMs, de
betrouwbaarheid tussen waarnemers, en de voorspellende waarde van GM-beoordelingen voor
verschillende vormen van cerebrale parese en andere neurologische uitkomsten.
In de afgelopen tien jaar is er aanzienlijke vooruitgang geboekt in het begrijpen en meten van sociaal-
emotionele problemen, competenties en psychopathologie bij jonge kinderen. Het is duidelijk
geworden dat veel zeer jonge kinderen psychopathologische aandoeningen vertonen, en deze
problemen neigen vaak tot persistentie. Het identificeren en interveniëren bij vroeg optredende
psychopathologie wordt als van groot belang beschouwd.
Nieuwe meetinstrumenten zijn ontwikkeld voor het beoordelen van sociaal-emotionele problemen
en competenties, en deze zijn beschikbaar voor gebruik in diverse settings, waaronder pediatrische
praktijken, kinderopvanginstellingen en klinische onderzoeksomgevingen. Het artikel benadrukt
echter ook de uitdagingen bij het beoordelen van jonge kinderen en het begrijpen van hun gedrag
binnen relevante ontwikkelings-, relationele en culturele contexten.
De tekst wijst op de noodzaak van vroege detectie en interventie, gezien het bewijs dat jonge
kinderen wel degelijk sociaal-emotionele problemen kunnen ervaren, en deze problemen vaak
persistent zijn. Er is weerstand geweest tegen het erkennen van psychopathologie bij jonge kinderen,
deels vanwege zorgen over stigmatisering en de nadruk op cognitieve en taalkundige ontwikkeling.
Desondanks benadrukt het artikel het belang van vroegtijdige screening en interventie, ondanks
maatschappelijke opvattingen dat de kindertijd een 'heilige' en gelukkige tijd is.
Het artikel benadrukt ook de uitdagingen bij het integreren van gegevens uit verschillende bronnen
en het belang van het begrijpen van de beperkingen en sterke punten van verschillende
beoordelingsmethoden. Het pleit voor een holistische benadering, waarbij zowel het kind als het
gezin worden beoordeeld, rekening houdend met culturele invloeden op gedrag en emoties.
Tot slot wordt de noodzaak van vroegtijdige screening van ontwikkelings- en gedragsproblemen
benadrukt, met het oog op tijdige interventies en ondersteuning. Verschillende screeningtools en
gestandaardiseerde assessments worden besproken, inclusief hun toepasbaarheid en beperkingen.
Het artikel concludeert dat ondanks de vooruitgang in het veld, het essentieel is om psychopathologie
bij jonge kinderen serieus te nemen en te blijven streven naar verbetering van identificatie- en
interventiediensten.
, Einspieler & Prechtl, 2005 – Artikel
Dit artikel bespreekt het belang van het observeren en beoordelen van zogenaamde algemene
bewegingen (GMs) bij baby's als een vroege marker voor hersenbeschadiging en disfunctie. GMs zijn
spontane, complexe bewegingspatronen die vanaf de vroege foetale periode tot het einde van het
eerste halfjaar van het leven aanwezig zijn. Deze bewegingen, die het hele lichaam betrekken,
veranderen in intensiteit, kracht en snelheid en hebben een vloeiende en elegante kwaliteit.
Het artikel beschrijft dat afwijkingen in GM-patronen kunnen wijzen op latere cerebrale parese (CP).
Specifiek worden twee abnormale GM-patronen genoemd die betrouwbaar voorspellend zijn voor
latere CP: 1) een aanhoudend patroon van krampachtige, gesynchroniseerde GMs, en 2) het
ontbreken van GMs van fidgety-karakter, kleine bewegingen met variabele acceleratie.
Het beoordelen van GMs wordt beschouwd als een snelle, niet-invasieve en kosteneffectieve
methode in vergelijking met andere technieken zoals magnetische resonantie beeldvorming en
neurologisch onderzoek. Het artikel benadrukt ook het belang van het waarnemen van spontane
bewegingen als een marker voor neurologische disfunctie, in tegenstelling tot traditionele reflex- en
responsmetingen.
Tot slot wordt ingegaan op de training die nodig is voor het beoordelen van GMs, de
betrouwbaarheid tussen waarnemers, en de voorspellende waarde van GM-beoordelingen voor
verschillende vormen van cerebrale parese en andere neurologische uitkomsten.