Schematisch:
Inleiding (parmenides):
1) wie is de mens?
2) De vraag naar het gekende?
1.Aard van de vraagstelling
De filosofie stelt vragen naar de fundamenten(*) hoe we denken naar de
werkelijkheid(**):
1) wie is de mens?
2) hoe kent de mens zijn werkelijkheid?
vraag naar de mogelijkheid van een onderzoek
*= datgene waarop en huis rust, onderliggende aan sociologie, criminologie,
psychologie
** = de wereld waarin we leven.
De filosofie:
1) brengt sociale problemen in kaart betreffende de mens
2) kijken naar de meest vanzelfsprekende dingen
3) aparte vraagstelling vraag naar het gekende!
4) rafelt iets uiteen, analyseert iets en stelt zichzelf voortdurend in vraag.
5) Kennen we wat we menen te kennen??
2. Vraag naar het gekende
Wat is kennen??
3.Nut van de filosofie?
Ideologische vraag = zit in het denkschema van onze samenleving
De dag van vandaag moet alles efficiënt, meetbaar, telbaar zijn (nà de jaren 80)
1
, NUT:
1) verder denken dan de dagdagelijkse manier van denken
2) kritisch bewustzijn aankweken
3) brede blik op denken in de maatschappij, geschiedenis...
4) nut als algemene achtergrond
5) meerdere manieren van kijken naar de werkelijkheid
OVERAL ZIJN ER DENKTANKEN = KRITISCH REFLECTEREN
4.Ton van Diogenes van Sinope(ca. 400 – ca. 325):
Plaats van de filosofische vraag:
doet ons een stap terugzetten
buiten de samenleving (= buitenpositie)
binnen de samenleving toch buitenpositie aannemen
We krijgen dus een binnen-buitenpositie:
Diogenes van Sinope leefde en sliep buiten in een regenton (= holte op de markt).
Hij had geen bezittingen. Op klaarlichte dag zocht hij met een lantaarn op een
marktplein in Athene naar een “mens”. “IK ZOEK EEN MENS.”
hij stelt de vraag op de markt maar toch ergens erbuiten (holte op de markt)
5de – 6de eeuw v.Chr.
prototype
Alexander de Grote (koning Macedonië) was zeer geïnteresseerd in Diogenes. Hij
maakte een lange reis om hem te ontmoeten. Toen Alexander hem op een zonnige
dag aantrof, vroeg hij “Kan ik iets voor u doen?”. Waarop Diogenes zei: “Zon, ga uit
mijn zon.” Waarop Alexander zei: “Als ik Alexander niet was, zou ik Diogenes willen
zijn”. Diogenes antwoordde: “Als ik Diogenes niet was, zou ik hem ook willen zijn.”
5. Griekenland in de Antieke tijd
Historisch ontstaan van de filosofie (= historisch gebeuren; onze Westerse cultuur is
doordrongen!).
Aanleiding: denkbeeld doordrongen door Griekse cultuur: tot op vandaag nog
betekenis.
“De essentie gebeurt bij de zelfontdekking van de logos”
= De logos(*) ontdekt zichzelf als de plaats van de waarheid.
(*) = De studie van kennis, ratio, logica, spreken, verstand, denken…
wat voortvloeit uit verstand (vermogen).
De mens begrijpt dat hij met zijn eigen verstand de waarheid kan vinden. verstand
2
,is de plaats waar het antwoord zich bevindt!!
Maar …
Wat is het verstand?
Hoe was het daarvoor? Waar lag het verstand daarvoor??
6. Alle waarheid is subjectief (Plato- breedgeschouderde)
“waarheid” ontstaat 4de eeuw v.Chr.
betreft iets dat eeuwig, onveranderd is, iets dat vaststaat. (daarvoor kende men
dat niet)
Plato was leerling van Socrates en leraar van Aristoteles.
het concept van waarheid zit in onze cultuur. situeerde zich vooraf bij de Goden
7. Het Orakel van Delphi
heel belangrijk orakel, gewijd aan de god Apollo (god van het Licht (inzicht), van
wat rationeel is.)
orakel raadplegen en goden goede raad vragen
tempel herbergde een bijzondere priesteres: PYTHIA = doorgeefluik van de
raadgevingen zit op een driepotige kruk bedwelmd door dampen uit een
rotsspleet.
door haar mond kwam de stem van de goden
de natuur sprak doorheen Pythia
de priesters van Apollo INTERPRETEERDEN wat Pythia zei
MAAR: de woorden zijn voor meerdere interpretaties vatbaar!!!!
8. Bewijs meerdere interpretaties
Vooraf: Croesus (was koning van Lydië (“groot rijk”))
Stelde de vraag aan het Orakel “de Perzen aanvallen of niet?”
Waarop Pythia zei: “een groot rijk zal ten onder gaan.”
Croesus was gerustgesteld en dacht dat het goed was MAAR effect: zijn eigen rijk
werd vernietigd!!
Pas vanaf dan werden de uitspraken van Pythia met een korreltje zout genomen (?).
9. Aanleiding: 5de-6de eeuw V.Chr. (democratie in antieke
Griekenland)
Ontstaan democratie (volk regeert zichzelf):
1. Elke burger nam deel aan beleid: de burgers zijn gaan zeggen: “we gaan het nu
eens zelf zien!”.
Het BELANG van goed kunnen spreken met elkaar.
3
, Zelf denken (hoe het moet zijn): vanuit het EIGEN verstand (er zit daar iets wat
eeuwig en onveranderd is.)
10. Waarheidsvermogen in de taal, in zijn spreken
Eerste onderscheid tussen spreken (onveranderlijk, vastheid) en zien of
waarnemen (veranderlijk!).
wat vast is vinden we in het verstand
Bv.: spreken: boom
zien: minder bladeren, kleur, …
- Filosofie is het verstandelijk rationeel begrijpen van de
werkelijkheid -
iedereen heeft een VERMOEDEN tussen het onderscheid van spreken en zien
maar niemand die het daadwerkelijk kon uitleggen.
De eerste filosoof die dit inzicht heeft gehad: Parmenides (ca. 500 v. Chr.)
“Het zijn is en het niet-zijn is niet” (ontstaan filosofie)
ZIJN = onveranderlijke, wat vast is
NIET-ZIJN = het veranderlijke
eerste volkomen abstracte uitspraak = helder = principe van contradictie (iets is en
kan niet tegelijk iets anders zijn)
1. Verschil tussen de wereld die we met ogen zien en de wereld die we met het
verstand zien.
2. Verschil tussen het dagdagelijkse leven en de wereld van ons denken.
in de concrete leefwereld (hier & nu) veranderen de dingen
Maar…
De mens ontdekt het waarheidsvermogen:
de uitspraak is problematisch
in concrete werkelijkheid kan je niets met de uitspraak doen.
in strijd met de dagdagelijkse werkelijkheid want de werklijkheid is in WORDING
(veranderlijk).
Toch is de uitspraak beslissend omdat ze de differentie van spreken hier aantoont.
nl.: Het verstand (= het spreken van de mens) heeft iets overstijgend. = mens kan
uitspraken doen over gans de geschiedenis.
De mens vindt in het eigen verstand de mogelijkheid tot waarheid
door beroep te doen op je eigen verstand
waarheid = inzichtelijker dan wat goden vertellen!
4