BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN
Prof. Carette
INLEIDING
1
,KWALIFICATIE VAN OVEREENKOMSTEN
De kwalificatie van een overeenkomst is het juridisch benoemen van een overeenkomst of het
onderbrengen van een overeenkomst in een juridische categorie.
Partijen kunnen zelf uitdrukkelijk kwalificeren, maar uiteindelijk is het de rechter die bepaalt (art.
1134 BW). De rechter gaat kijken naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen. Indien de
kwalificatie daarmee niet overeenstemt, kan de rechter overgaan tot herkwalificatie.
Verkeerde kwalificatie
Simulatie (art. 1321 BW) = partijen doen alsof ze een bepaalde RH stellen, maar in een
tegenbrief beogen ze een andere RH
HvC: duidelijke voorrang aan de kwalificatie gekozen door de partijen. Art. 1134 BW geldt ook voor
de rechter die het bestaan van de overeenkomst als een rechtsfeit moet aanvaarden. Uit de
beoordeling van de essentiële en subjectieve elementen zal de gemeenschappelijke bedoeling
blijken.
1: ONDERSCHEID TUSSEN BENOEMDE EN ONBENOEMDE OVEREENKOMSTEN
Benoemde overeenkomsten
Benoemde overeenkomsten = overeenkomsten waarvoor een specifieke wettelijke regeling is
voorzien, hetzij in het BW, hetzij in een specifieke wet.
Het is een meerzijdige overeenkomst:
Belang van wilsautonomie en contractvrijheid
Partijen kunnen vrij overeenkomen:
o Enerzijds een zegen
o Anderzijds een vloek: er is maar wat de partijen hebben voorzien
Partijen moeten alle modaliteiten bepalen
Men moet het eens zijn over alle voorwaarden
Om tegemoet te komen aan die last heeft de wetgever een set regels opgesteld die zullen gelden als
een standaardcontract = benoemde contracten gezien de frequentie van bepaalde contracten! De
partijen moeten dan enkel nog aangeven waarvan ze willen afwijken.
Voordelen:
Rechtszekerheid
Evenwichtige regeling van de rechtsverhouding tussen partijen
Er zijn ook een aantal dwingendrechtelijke regels die de contractsvrijheid verder inhoudelijk
beperken. Dit ter bescherming van economisch of sociaal zwakkere groepen.
Regime:
Wettelijke set van regels
Overeenkomst zelf (aanpassingen door de partijen)
Algemene verbintenissen- en overeenkomstenrecht (art. 1107 BW)
2
,Onbenoemde overeenkomsten
In het goederenrecht is er een numerus clausus beginsel: limitatieve zakelijke rechten. Dit is niet zo
bij overeenkomsten. Gelet op het principe van contractvrijheid is de lijst van onbenoemde
overeenkomsten eindeloos + geen “typenzwang”
Onbenoemde overeenkomsten in de enge zin = alle overeenkomsten die geen specifieke wettelijke
regeling kennen
Bv.: factoring- of franchisingovereenkomst of leasing
Onbenoemde overeenkomsten in de ruime zin = alle overeenkomsten die niet in het BW geregeld
zijn
Bv.: arbeids- of verzekeringsovereenkomsten
Opmerking: het begrip onbenoemde overeenkomst is weinig precies.
Het is niet de vraag of er al dan niet een naam is voor de overeenkomst, maar heeft
betrekking op de vraag of het in de wet is geregeld
Regime:
Regels in het contract zelf
Gemene verbintenissen- en overeenkomstenrecht
Toepassing naar analogie (bv. bij leasing regels van huur naar analogie toepassen)
Gemengde overeenkomst
Gemengde overeenkomst = overeenkomst die typische kenmerken van 2 of meer benoemde
overeenkomsten vertoont, maar die toch een juridische eenheid vormt.
Bv.: woningbouw
Figuur van aanneming: diensten
Soort van koop: stenen, cement…
Theorieën om met gemengde overeenkomsten om te gaan:
Combinatie- of cumulatietheorie = de regels van alle contracten in de gemengde
overeenkomst moeten naast elkaar worden toegepast op de respectieve onderdelen
Absorptieleer = wanneer er 1 type overheersend is en daarvan de regels gaan toepassen
(dominante element bepalen a.h.v. de impliciete/expliciete wil van de partijen of
economische criteria)
Sui generis = onbenoemde overeenkomst, dus geen eenduidige toepassing van een bepaald
regime
Per concreet geval moet men uitmaken welke theorie de voorkeur verdient: letten op de
gemeenschappelijke bedoeling + aard van de prestaties die in het contract besloten liggen.
2: CONSUMENTENBESCHERMING – BESCHERMING VAN DE ZWAKKERE
CONTRACTSPARTIJ
3
,De wilsautonomie blijft een hoeksteen van het privaatrecht, maar de idee van juridische gelijkheid
veronderstelt ook feitelijke gelijkheid en die is er vaak niet (gevolg socialisering)
Bescherming zwakkere contractspartij door dwingende regelgeving = specifiek voor de
sukkelaar dus relatieve nietigheid
Bv.: geen treinticket kopen en voorbehouden van de exoneratiebedingen
Consumentenbescherming sensu lato
Enerzijds in het dwingend recht en anderzijds gemeenrechtelijke bescherming: belang van de
zorgvuldigheidsnorm (goede trouw, contractuele en precontractuele informatieplicht…)
Sensu lato: geldt voor alle zwakke partijen, ongeacht wie de sukkelaar is! Professioneel of
niet = irrelevant
Consumentenbescherming sensu stricto
Hier gaat het alleen om de bescherming van een NPNP = natuurlijke persoon, niet professioneel!
Vooral onder invloed van Europa: vanuit streven naar een eengemaakte markt
Voornamelijk terug te vinden in het WER, maar ook in de wet consumentenkoop
Afdwingbaarheidsparadox: op zich zijn de bepalingen heel sterk en heel beschermend (absolute
nietigheid), maar in de praktijk is dat vaak niet het geval!
Men kan de bescherming slechts inroepen in een procedure voor de rechter
Bv.: gaat men zo ver gaan voor een trui van 50 euro?
Consumentenrecht in Boek VI WER
Art. I.1 WER = toepassingsgebied
- Consument (NPNP)
o NP, dus geen RP!
o Niet professioneel, dus buiten handels-/ bedrijfs-/ ambachts- of beroepsactiviteit
Bij gemengd gebruik: kijken naar hoofdbestemming (gsm, laptop)
- Onderneming
o NP met een zelfstandige beroepsactiviteit
o Elke RP (tenzij Staat, aantal uitzonderingen)
o Elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij geen uitkeringsoogmerk
en geen uitkeringen verricht
- Voorwerp
o Producten = goederen en diensten + onroerende goederen
o Goederen = lichamelijke, roerende zaken
o Diensten = prestaties
Art. I.8 WER = definities specifiek voor boek VI, dus hebben voorrang
39°: onderneming
4
, o Iedere NP of RP die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft = engere
interpretatie (geen VZW’s)
33°: verkoopovereenkomst
o Iedere overeenkomst waarbij de onderneming de eigendom van goederen aan een
consument overdraagt of verbindt over te dragen en de consument de prijs daarvan
betaalt of verbindt te betalen, met inbegrip van elke overeenkomst die zowel
goederen als diensten betreft
o “goederen”, dus niet OG
o Ook van toepassing op gemengde contracten
34°: dienstenovereenkomst
o Iedere andere overeenkomst dan de verkoopovereenkomst waarbij de onderneming
de consument een dienst levert of verbindt te leveren en de consument de prijs
daarvan betaalt of verbindt te betalen
o Ongeacht OG of RG
Het regime voor onrechtmatige bedingen geldt voor producten (algemeen) en diensten: zwarte lijst =
ambtshalve nietigheid
>< overeenkomsten op afstand of buiten de ondernemingsruimte: als het gaat om “verkoop” dan
alleen m.b.t. lichamelijke RG en bij diensten ongeacht RG of OG
Wet van 4 april 2019 = B2B-wet
Regelingen m.b.t. overeenkomsten tussen ondernemingen
Deel over contractuele bedingen
o Art. 6.91/1 WER: bescherming in B2B-relaties (>< sensu stricto
consumentenbescherming)
o 1 december 2020: inwerkingtreding regeling onrechtmatige bedingen
o Toepassingsgebied =
Onderneming: geen kwantitatieve of kwalitatieve beperking
Definitie in de zin van art. I.8 WER (want Boek VI)
Producten: dus geen onderscheid naar OG of RG >< B2C
o Niet noodzakelijk “zwakke” partij
o Hier ook een grijze lijst >< B2C: alleen een zwarte lijst
5
,DEEL 1: OVEREENKOMSTEN M.B.T. OVERDRACHT VAN EIGENDOM
TITEL 1: KOOP
H1: BEGRIPSOMSCHRIJVING, WEZENLIJKE BESTANDDELEN, ONDERSCHEID MET
ANDERE OVEREENKOMSTEN EN BIJZONDERE REGIMES
AFDELING 1: BEGRIP EN WEZENLIJKE BESTANDDELEN
Art. 1582 BW: definitie van de gemeenrechtelijke koop of koop-verkoopovereenkomst
= onvolledig, want neemt eigendomsoverdracht niet in rekening
RL en RS: koop = wederkerige overeenkomst waarbij de ene partij (verkoper) de eigendom
van een goed overdraagt aan een andere partij (koper) die hiervoor een prijs betaalt
Uit deze begripsomschrijving blijkt dat de koopovereenkomst 2 essentiële elementen bevat:
Overdracht van eigendom
Betaling van een prijs in geld
Bij het ontbreken van 1 van deze 2 elementen is er geen sprake van koop, maar eventueel wel van
een andere (on)benoemde overeenkomst.
Daarnaast zijn er nog subjectieve essentiële bestanddelen die wel determinerend zijn voor de
totstandkoming van de overeenkomst, maar niet voor de kwalificatie ervan.
Naast het gemene kooprecht bestaan er ook een aantal bijzondere koopregimes. Daar wordt vaak
een aangepaste, ruimere definitie van koop gehanteerd: omvat dan mede overeenkomsten die
volgens het gemene recht als aanneming zouden worden beschouwd en niet als koop.
Volgend schema ligt op en deels naast het gemene kooprecht! Dus vallen terug op het gemene
kooprecht indien bepaalde elementen niet worden geregeld:
Wie zijn de contractspartijen in de bijzondere regimes:
B2C
o Aantal regels in WER (informatieplichten, onrechtmatige bedingen)
o Wet Consumentenkoop (bescherming over kwaliteit en kwantiteit van de gekochte
goederen)
o Beide zijn van dwingend recht + rechter moet die ambtshalve inroepen
o Specifieke bepalingen
B2B
o Aantal regels in WER = dwingend recht + rechter moet die ambtshalve inroepen
o Weens Koopverdrag = suppletief, geldt alleen in een internationale context (koper en
verkoper niet in hetzelfde land) en voor lichamelijke roerende goederen
C2C: bijzondere kooprecht!
+ Wet Breyne = woningbouwwet, regelt een aantal specifieke punten voor koop!
6
,ONDERAFDELING 1: WEZENLIJK BESTANDDEEL 1 = OVERDRACHT VAN EIGENDOM
1: GOED VS. DIENST? KOOP VS. AANNEMING VAN WERK
Het moet dus gaan om een goed in de zin van art. 3.41 BW = voorwerp dat voor toe-eigening vatbaar
is.
Onze verbintenis met betrekking tot dat goed is een dare verbintenis: geven en niet doen want dan is
er sprake van aanneming!
Levering van een te vervaardigen goed
Waarbij de vervaardiger ook (een deel van) de grondstoffen voor dat goed aanlevert. Indien men zelf
het materiaal voorziet, is het duidelijk dat er enkel sprake is van een dienst die wordt geleverd en
gaat het dus over aanneming.
Verschillende theorieën:
Leer van de enkele koop: het is steeds een koopovereenkomst, maar deze theorie is
voorbijgestreefd (1 uitzondering: als voldaan aan de voorwaarden van de Wet
Consumentenkoop)
Leer van de enkele aanneming: het is steeds een aannemingsovereenkomst, maar ook deze
opvatting is voorbijgestreefd
Gemengde overeenkomst
o Cumulatietheorie (vaak niet wegens tegenstrijdigheden)
o Sui generis
o Absorptietheorie
Afhankelijk van het belangrijkste aspect (dienstverlening of goed) van de
overeenkomst, die regels in totaliteit gaan toepassen
Criteria om belangrijkste aspect te bepalen uit RS en RL
Wil van de partijen: afhankelijk van hoe de partijen hun
overeenkomst zelf hebben gekwalificeerd! Blijkt uit de
overeenkomst noch expliciet noch impliciet hoe de partijen hun
overeenkomst hebben willen kwalificeren, dan hanteert men het
“specificiteitscriterium”
Specificiteitscriterium = heeft het vervaardigen van het goed een gestandaardiseerd karakter (en/of
werd het door de verkoper geconcipieerd) dan is er sprake van koop. Maar wordt het goed
daarentegen vervaardigd overeenkomstig bepaalde specifieke eisen door de klant, dan is er sprake
van aanneming.
Bv.: appartementsgebouw waarbij de koper een aantal zaken zelf mag kiezen, de inmenging
is dus beperkt = koop
Bv.: huis mag je volledig zelf vrij vormgeven, dan zeer hoge specificiteit = aanneming
Bv.: softwareprogramma voor advocaten = koop >< specifiek voor iemand ontwerpen met
bepaalde vereisten = aanneming
Bv.: wagen kopen en u kiest de kleur, zetels… = koop want keuze is beperkt tot een bepaalde
lijst (wagen wordt niet speciaal op uw maat gemaakt)
= criterium van het gemene recht om koop van aanneming te onderscheiden
>< bijzondere regimes
7
, Wet Consumentenkoop: art. 1649bis, §3 BW steeds een koopovereenkomst (dus
gemeenrechtelijke aanneming kan samenvallen met koop)
WER: art. I.8, doorkruising van het gemeenrechtelijke onderscheid
Weens Koopverdrag: economisch criterium
Diensten n.a.v. verkoop
Kwalificatie van een overeenkomst waarbij de leverancier van een goed dat op het ogenblik van de
contractsluiting reeds bestaat, naast de levering van het goed allerlei bijkomende diensten aanbiedt.
Bv.: dampkap gekocht met optie “plaatsing thuis”
Men oordeelt geval per geval en gaat daarbij kijken naar de dominante elementen: absorptieleer!
Partijen geen duidelijke contractuele kwalificatie (anders zou die gelden), dan geldt de
absorptietheorie: welke verbintenis is de meest belangrijke en die regels worden dan
toegepast op de gehele overeenkomst.
Meerderheid RS lijkt daarbij een objectief economisch criterium te hanteren
Bv.: bij die dampkap is het verwerven ervan het belangrijkste = koop >< herstellen ervan en brengt
nieuwe schakelaar mee = aanneming
Belang van het onderscheid
Op verschillende punten geldt een andere regeling:
- Aanneming van werk: prijs kan later worden bepaald >< koop
- Koop: risico gaat over samen met de eigendom >< aanneming: risico gaat pas over bij de
levering (art. 1788 BW)
- Koop: vrijwaring voor verborgen gebreken (art. 1641 BW) >< aanneming: gemeenrechtelijk
aansprakelijkheidsrecht
- Koop: onroerende voorrecht art. 27, 1° Hyp.W. >< aanneming: onroerende voorrecht art. 27,
5° Hyp.W.
- Koop: faillissement verkoper – opdrachtgever = SE voor voltooiing en eigenaar erna ><
aanneming: opdrachtgever = alleen SE
2: ALGEMEEN
De koop is per definitie een translatieve RH (brengen de overdracht mee van een bestaand subjectief
recht aan een nieuwe titularis).
Dit veronderstelt:
- Verkoper = beschikkingsbevoegd
- Verkoper draagt het eigendomsrecht over aan de koper uit hoofde van de
koopovereenkomst
>< overeenkomst tot vestiging van een zakelijk recht = onbenoemde overeenkomst (geen koop, maar
vaak zullen die regels naar analogie van toepassing zijn indien het gaat om een overdracht “onder
bezwarende titel”)
8
,Aangezien de eigendomsoverdracht van het verkochte goed een wezenlijk bestanddeel is van de
koopovereenkomst, kan die eigendomsoverdracht niet het voorwerp van een opschortende
voorwaarde uitmaken.
3: OGENBLIK VAN EIGENDOMSOVERDRACHT
Principe van consensuele eigendomsoverdracht
Een eenvoudig en louter akkoord van de partijen over het goed en de prijs heeft tot gevolg dat er
tussen de partijen onmiddellijk een overdracht van eigendom plaats heeft. Dus irrelevant of het goed
al is geleverd of de prijs al is betaald!
Loutere consensus tot het sluiten van de koop leidt tot de uitvoering van de dare-verbintenis
van de verkoper
Juridische levering vindt plaats door de loutere wilsovereenstemming
Art. 3.14, §2, lid 2 BW
Gevallen van uitgestelde eigendomsoverdracht
De eigendomsoverdracht is een wezenlijk bestanddeel, maar die hoeft niet noodzakelijkerwijze
plaats te hebben op het ogenblik van het sluiten van het contract.
Principe = onmiddellijke overdracht, maar dat is niet verplicht! Tijdstip = irrelevant
In sommige gevallen zal de eigendomsoverdracht niet onmiddellijk geschieden door een akkoord
over goed en prijs, maar op een later ogenblik.
Soortzaken: art. 3.44 BW, eigendomsoverdracht veronderstelt een individueel bepaalbaar
goed of geheel van goederen (art. 3.8 BW), dus er is eerst individualisatie vereist!
Toekomstig goed: eigendom gaat slechts over op het ogenblik dat het goed in werkelijkheid
bestaat
Algemeen erkend gebruik: in een bepaalde sector van de handel of nijverheid (bv.:
diamantenhandel: pas bij materiële afgifte)
Beding van eigendomsvoorbehoud: bedingen dat de eigendom overgaat op een later tijdstip
o Geldt principieel tussen partijen: alleen de eigendomsoverdracht is het voorwerp van
een opschortende voorwaarde (koopovereenkomst zelf is onvoorwaardelijk)
o Tegenover derden:
Onroerende goederen: meestal uitgesteld tot ondertekening authentieke
akte
Niet problematische dat het gaat om een louter interne afspraak
aangezien de SE van de verkoper niet zal protesteren want lijkt nog
alsof die eigenaar is + SE van de koper zal ook niet protesteren want
heeft geen weet van het feit dat deze eigenaar zou kunnen zijn
(indien wel dan heeft die ook kennis van het voorbehoud)
Indien het wordt uitgesteld tot een moment na de ondertekening
van de authentieke akte, dan moet ervoor worden gezorgd dat bij de
publiciteit van de koop ook dat voorbehoud wordt gepubliceerd!
Lichamelijke roerende goederen: Titel XVII BW, schriftelijk beding uiterlijk op
moment van levering (geen publiciteitsvereisten, tenzij de goederen
onroerend worden door incorporatie)
9
, Belang van het bepalen van het juiste tijdstip van eigendomsoverdracht
Risicoregeling: met de eigendom van het goed, gaat in principe ook het risico over op de koper! = art.
1138, lid 2 BW (“res perit domino”), tenzij de partijen dit hebben losgekoppeld in hun overeenkomst
(niet van dwingend recht, dus afwijking mogelijk), tenzij de wet een loskoppeling verbiedt (Wet
Breyne)
Bij eigendomsvoorbehoud: risico blijft bij de verkoper
Bijzondere bepalingen:
- Art. VI.44 WER: ter bescherming van de consument gaat het risico pas over op het moment
dat de consument de goederen fysiek in bezit heeft
o “goederen” = alleen lichamelijke roerende goederen! Art. I.1, 6° WER
Ook van belang in geval van faillissement van 1 van de partijen:
- Van de verkoper: stel eigendomsoverdracht vond al plaats dan zal de koper als eigenaar
aantreden en niet in samenloop met andere SE >< nog geen overdracht, dan wel een SE
- Van de koper: eigendomsoverdracht uitgesteld tot volledige betaling, dan maar laten gelden
tegen de andere SE voorwaarden art. 3.30 BW
4: EIGENDOMSOVERDRACHT EN DE VERHOUDING TOT DERDEN
Art. 1138 en 1583 BW betreffen alleen de eigendomsoverdracht tussen de partijen: gebonden door
onderlinge toestemming (art. 1134 BW) en de eigendomsoverdracht vindt in principe plaats door
hun loutere wilsovereenstemming.
Verkoop van andermans zaak
Art. 1599 BW: verkoop van andermans zaak is nietig en kan een grond tot SV opleveren wanneer de
koper niet wist dat het goed aan een ander toebehoorde. Wanneer de verkoper geen eigenaar is, kan
deze ook niet het eigendomsrecht overdragen (1 van de wezenlijke kenmerken) = Nemo plus iuris (cf.
art. 3.6 BW)
Bv.: verkoop door een mede-eigenaar van het onverdeelde goed in zijn geheel
Remedie vanuit goederenrecht = niet-tegenwerpelijkheid (art. 3.73 BW)
Gehele nietigheid of enkel van het deel dat te veel is verkocht? Koper verwerft dan een deel
van het onverdeelde goed, dus ontstaat er toevallige ME waarbij men dan de verdeling kan
vorderen. Maar duidelijk dat de koop het geheel betrof, dan moet ook de nietigheid
betrekking hebben op het geheel want men wil niet zomaar in verdeling met iemand anders!
Bv.: per vergissing bv. bij de perceelsgrens, dan ten dele andermans goed verkocht
Geen sprake van verkoop van andermans zaak:
In geval van bevoegd of onbevoegd optreden door een vertegenwoordiger van de verkoper =
probleem zit in de lastgeving (= facre en niet dare)
In geval van sterkmaking: art. 1120 BW (koop komt rechtstreeks tot stand met de eigenaar)
Verkoop van soortgoederen waarvan de verkoper op het moment van het sluiten van de
overeenkomst (nog) geen eigenaar is. Indien de verkoper op het moment van specificatie
nog steeds geen eigenaar is, dan is er sprake van een contractuele wanprestatie: art. 1184
BW
10
Prof. Carette
INLEIDING
1
,KWALIFICATIE VAN OVEREENKOMSTEN
De kwalificatie van een overeenkomst is het juridisch benoemen van een overeenkomst of het
onderbrengen van een overeenkomst in een juridische categorie.
Partijen kunnen zelf uitdrukkelijk kwalificeren, maar uiteindelijk is het de rechter die bepaalt (art.
1134 BW). De rechter gaat kijken naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen. Indien de
kwalificatie daarmee niet overeenstemt, kan de rechter overgaan tot herkwalificatie.
Verkeerde kwalificatie
Simulatie (art. 1321 BW) = partijen doen alsof ze een bepaalde RH stellen, maar in een
tegenbrief beogen ze een andere RH
HvC: duidelijke voorrang aan de kwalificatie gekozen door de partijen. Art. 1134 BW geldt ook voor
de rechter die het bestaan van de overeenkomst als een rechtsfeit moet aanvaarden. Uit de
beoordeling van de essentiële en subjectieve elementen zal de gemeenschappelijke bedoeling
blijken.
1: ONDERSCHEID TUSSEN BENOEMDE EN ONBENOEMDE OVEREENKOMSTEN
Benoemde overeenkomsten
Benoemde overeenkomsten = overeenkomsten waarvoor een specifieke wettelijke regeling is
voorzien, hetzij in het BW, hetzij in een specifieke wet.
Het is een meerzijdige overeenkomst:
Belang van wilsautonomie en contractvrijheid
Partijen kunnen vrij overeenkomen:
o Enerzijds een zegen
o Anderzijds een vloek: er is maar wat de partijen hebben voorzien
Partijen moeten alle modaliteiten bepalen
Men moet het eens zijn over alle voorwaarden
Om tegemoet te komen aan die last heeft de wetgever een set regels opgesteld die zullen gelden als
een standaardcontract = benoemde contracten gezien de frequentie van bepaalde contracten! De
partijen moeten dan enkel nog aangeven waarvan ze willen afwijken.
Voordelen:
Rechtszekerheid
Evenwichtige regeling van de rechtsverhouding tussen partijen
Er zijn ook een aantal dwingendrechtelijke regels die de contractsvrijheid verder inhoudelijk
beperken. Dit ter bescherming van economisch of sociaal zwakkere groepen.
Regime:
Wettelijke set van regels
Overeenkomst zelf (aanpassingen door de partijen)
Algemene verbintenissen- en overeenkomstenrecht (art. 1107 BW)
2
,Onbenoemde overeenkomsten
In het goederenrecht is er een numerus clausus beginsel: limitatieve zakelijke rechten. Dit is niet zo
bij overeenkomsten. Gelet op het principe van contractvrijheid is de lijst van onbenoemde
overeenkomsten eindeloos + geen “typenzwang”
Onbenoemde overeenkomsten in de enge zin = alle overeenkomsten die geen specifieke wettelijke
regeling kennen
Bv.: factoring- of franchisingovereenkomst of leasing
Onbenoemde overeenkomsten in de ruime zin = alle overeenkomsten die niet in het BW geregeld
zijn
Bv.: arbeids- of verzekeringsovereenkomsten
Opmerking: het begrip onbenoemde overeenkomst is weinig precies.
Het is niet de vraag of er al dan niet een naam is voor de overeenkomst, maar heeft
betrekking op de vraag of het in de wet is geregeld
Regime:
Regels in het contract zelf
Gemene verbintenissen- en overeenkomstenrecht
Toepassing naar analogie (bv. bij leasing regels van huur naar analogie toepassen)
Gemengde overeenkomst
Gemengde overeenkomst = overeenkomst die typische kenmerken van 2 of meer benoemde
overeenkomsten vertoont, maar die toch een juridische eenheid vormt.
Bv.: woningbouw
Figuur van aanneming: diensten
Soort van koop: stenen, cement…
Theorieën om met gemengde overeenkomsten om te gaan:
Combinatie- of cumulatietheorie = de regels van alle contracten in de gemengde
overeenkomst moeten naast elkaar worden toegepast op de respectieve onderdelen
Absorptieleer = wanneer er 1 type overheersend is en daarvan de regels gaan toepassen
(dominante element bepalen a.h.v. de impliciete/expliciete wil van de partijen of
economische criteria)
Sui generis = onbenoemde overeenkomst, dus geen eenduidige toepassing van een bepaald
regime
Per concreet geval moet men uitmaken welke theorie de voorkeur verdient: letten op de
gemeenschappelijke bedoeling + aard van de prestaties die in het contract besloten liggen.
2: CONSUMENTENBESCHERMING – BESCHERMING VAN DE ZWAKKERE
CONTRACTSPARTIJ
3
,De wilsautonomie blijft een hoeksteen van het privaatrecht, maar de idee van juridische gelijkheid
veronderstelt ook feitelijke gelijkheid en die is er vaak niet (gevolg socialisering)
Bescherming zwakkere contractspartij door dwingende regelgeving = specifiek voor de
sukkelaar dus relatieve nietigheid
Bv.: geen treinticket kopen en voorbehouden van de exoneratiebedingen
Consumentenbescherming sensu lato
Enerzijds in het dwingend recht en anderzijds gemeenrechtelijke bescherming: belang van de
zorgvuldigheidsnorm (goede trouw, contractuele en precontractuele informatieplicht…)
Sensu lato: geldt voor alle zwakke partijen, ongeacht wie de sukkelaar is! Professioneel of
niet = irrelevant
Consumentenbescherming sensu stricto
Hier gaat het alleen om de bescherming van een NPNP = natuurlijke persoon, niet professioneel!
Vooral onder invloed van Europa: vanuit streven naar een eengemaakte markt
Voornamelijk terug te vinden in het WER, maar ook in de wet consumentenkoop
Afdwingbaarheidsparadox: op zich zijn de bepalingen heel sterk en heel beschermend (absolute
nietigheid), maar in de praktijk is dat vaak niet het geval!
Men kan de bescherming slechts inroepen in een procedure voor de rechter
Bv.: gaat men zo ver gaan voor een trui van 50 euro?
Consumentenrecht in Boek VI WER
Art. I.1 WER = toepassingsgebied
- Consument (NPNP)
o NP, dus geen RP!
o Niet professioneel, dus buiten handels-/ bedrijfs-/ ambachts- of beroepsactiviteit
Bij gemengd gebruik: kijken naar hoofdbestemming (gsm, laptop)
- Onderneming
o NP met een zelfstandige beroepsactiviteit
o Elke RP (tenzij Staat, aantal uitzonderingen)
o Elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij geen uitkeringsoogmerk
en geen uitkeringen verricht
- Voorwerp
o Producten = goederen en diensten + onroerende goederen
o Goederen = lichamelijke, roerende zaken
o Diensten = prestaties
Art. I.8 WER = definities specifiek voor boek VI, dus hebben voorrang
39°: onderneming
4
, o Iedere NP of RP die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft = engere
interpretatie (geen VZW’s)
33°: verkoopovereenkomst
o Iedere overeenkomst waarbij de onderneming de eigendom van goederen aan een
consument overdraagt of verbindt over te dragen en de consument de prijs daarvan
betaalt of verbindt te betalen, met inbegrip van elke overeenkomst die zowel
goederen als diensten betreft
o “goederen”, dus niet OG
o Ook van toepassing op gemengde contracten
34°: dienstenovereenkomst
o Iedere andere overeenkomst dan de verkoopovereenkomst waarbij de onderneming
de consument een dienst levert of verbindt te leveren en de consument de prijs
daarvan betaalt of verbindt te betalen
o Ongeacht OG of RG
Het regime voor onrechtmatige bedingen geldt voor producten (algemeen) en diensten: zwarte lijst =
ambtshalve nietigheid
>< overeenkomsten op afstand of buiten de ondernemingsruimte: als het gaat om “verkoop” dan
alleen m.b.t. lichamelijke RG en bij diensten ongeacht RG of OG
Wet van 4 april 2019 = B2B-wet
Regelingen m.b.t. overeenkomsten tussen ondernemingen
Deel over contractuele bedingen
o Art. 6.91/1 WER: bescherming in B2B-relaties (>< sensu stricto
consumentenbescherming)
o 1 december 2020: inwerkingtreding regeling onrechtmatige bedingen
o Toepassingsgebied =
Onderneming: geen kwantitatieve of kwalitatieve beperking
Definitie in de zin van art. I.8 WER (want Boek VI)
Producten: dus geen onderscheid naar OG of RG >< B2C
o Niet noodzakelijk “zwakke” partij
o Hier ook een grijze lijst >< B2C: alleen een zwarte lijst
5
,DEEL 1: OVEREENKOMSTEN M.B.T. OVERDRACHT VAN EIGENDOM
TITEL 1: KOOP
H1: BEGRIPSOMSCHRIJVING, WEZENLIJKE BESTANDDELEN, ONDERSCHEID MET
ANDERE OVEREENKOMSTEN EN BIJZONDERE REGIMES
AFDELING 1: BEGRIP EN WEZENLIJKE BESTANDDELEN
Art. 1582 BW: definitie van de gemeenrechtelijke koop of koop-verkoopovereenkomst
= onvolledig, want neemt eigendomsoverdracht niet in rekening
RL en RS: koop = wederkerige overeenkomst waarbij de ene partij (verkoper) de eigendom
van een goed overdraagt aan een andere partij (koper) die hiervoor een prijs betaalt
Uit deze begripsomschrijving blijkt dat de koopovereenkomst 2 essentiële elementen bevat:
Overdracht van eigendom
Betaling van een prijs in geld
Bij het ontbreken van 1 van deze 2 elementen is er geen sprake van koop, maar eventueel wel van
een andere (on)benoemde overeenkomst.
Daarnaast zijn er nog subjectieve essentiële bestanddelen die wel determinerend zijn voor de
totstandkoming van de overeenkomst, maar niet voor de kwalificatie ervan.
Naast het gemene kooprecht bestaan er ook een aantal bijzondere koopregimes. Daar wordt vaak
een aangepaste, ruimere definitie van koop gehanteerd: omvat dan mede overeenkomsten die
volgens het gemene recht als aanneming zouden worden beschouwd en niet als koop.
Volgend schema ligt op en deels naast het gemene kooprecht! Dus vallen terug op het gemene
kooprecht indien bepaalde elementen niet worden geregeld:
Wie zijn de contractspartijen in de bijzondere regimes:
B2C
o Aantal regels in WER (informatieplichten, onrechtmatige bedingen)
o Wet Consumentenkoop (bescherming over kwaliteit en kwantiteit van de gekochte
goederen)
o Beide zijn van dwingend recht + rechter moet die ambtshalve inroepen
o Specifieke bepalingen
B2B
o Aantal regels in WER = dwingend recht + rechter moet die ambtshalve inroepen
o Weens Koopverdrag = suppletief, geldt alleen in een internationale context (koper en
verkoper niet in hetzelfde land) en voor lichamelijke roerende goederen
C2C: bijzondere kooprecht!
+ Wet Breyne = woningbouwwet, regelt een aantal specifieke punten voor koop!
6
,ONDERAFDELING 1: WEZENLIJK BESTANDDEEL 1 = OVERDRACHT VAN EIGENDOM
1: GOED VS. DIENST? KOOP VS. AANNEMING VAN WERK
Het moet dus gaan om een goed in de zin van art. 3.41 BW = voorwerp dat voor toe-eigening vatbaar
is.
Onze verbintenis met betrekking tot dat goed is een dare verbintenis: geven en niet doen want dan is
er sprake van aanneming!
Levering van een te vervaardigen goed
Waarbij de vervaardiger ook (een deel van) de grondstoffen voor dat goed aanlevert. Indien men zelf
het materiaal voorziet, is het duidelijk dat er enkel sprake is van een dienst die wordt geleverd en
gaat het dus over aanneming.
Verschillende theorieën:
Leer van de enkele koop: het is steeds een koopovereenkomst, maar deze theorie is
voorbijgestreefd (1 uitzondering: als voldaan aan de voorwaarden van de Wet
Consumentenkoop)
Leer van de enkele aanneming: het is steeds een aannemingsovereenkomst, maar ook deze
opvatting is voorbijgestreefd
Gemengde overeenkomst
o Cumulatietheorie (vaak niet wegens tegenstrijdigheden)
o Sui generis
o Absorptietheorie
Afhankelijk van het belangrijkste aspect (dienstverlening of goed) van de
overeenkomst, die regels in totaliteit gaan toepassen
Criteria om belangrijkste aspect te bepalen uit RS en RL
Wil van de partijen: afhankelijk van hoe de partijen hun
overeenkomst zelf hebben gekwalificeerd! Blijkt uit de
overeenkomst noch expliciet noch impliciet hoe de partijen hun
overeenkomst hebben willen kwalificeren, dan hanteert men het
“specificiteitscriterium”
Specificiteitscriterium = heeft het vervaardigen van het goed een gestandaardiseerd karakter (en/of
werd het door de verkoper geconcipieerd) dan is er sprake van koop. Maar wordt het goed
daarentegen vervaardigd overeenkomstig bepaalde specifieke eisen door de klant, dan is er sprake
van aanneming.
Bv.: appartementsgebouw waarbij de koper een aantal zaken zelf mag kiezen, de inmenging
is dus beperkt = koop
Bv.: huis mag je volledig zelf vrij vormgeven, dan zeer hoge specificiteit = aanneming
Bv.: softwareprogramma voor advocaten = koop >< specifiek voor iemand ontwerpen met
bepaalde vereisten = aanneming
Bv.: wagen kopen en u kiest de kleur, zetels… = koop want keuze is beperkt tot een bepaalde
lijst (wagen wordt niet speciaal op uw maat gemaakt)
= criterium van het gemene recht om koop van aanneming te onderscheiden
>< bijzondere regimes
7
, Wet Consumentenkoop: art. 1649bis, §3 BW steeds een koopovereenkomst (dus
gemeenrechtelijke aanneming kan samenvallen met koop)
WER: art. I.8, doorkruising van het gemeenrechtelijke onderscheid
Weens Koopverdrag: economisch criterium
Diensten n.a.v. verkoop
Kwalificatie van een overeenkomst waarbij de leverancier van een goed dat op het ogenblik van de
contractsluiting reeds bestaat, naast de levering van het goed allerlei bijkomende diensten aanbiedt.
Bv.: dampkap gekocht met optie “plaatsing thuis”
Men oordeelt geval per geval en gaat daarbij kijken naar de dominante elementen: absorptieleer!
Partijen geen duidelijke contractuele kwalificatie (anders zou die gelden), dan geldt de
absorptietheorie: welke verbintenis is de meest belangrijke en die regels worden dan
toegepast op de gehele overeenkomst.
Meerderheid RS lijkt daarbij een objectief economisch criterium te hanteren
Bv.: bij die dampkap is het verwerven ervan het belangrijkste = koop >< herstellen ervan en brengt
nieuwe schakelaar mee = aanneming
Belang van het onderscheid
Op verschillende punten geldt een andere regeling:
- Aanneming van werk: prijs kan later worden bepaald >< koop
- Koop: risico gaat over samen met de eigendom >< aanneming: risico gaat pas over bij de
levering (art. 1788 BW)
- Koop: vrijwaring voor verborgen gebreken (art. 1641 BW) >< aanneming: gemeenrechtelijk
aansprakelijkheidsrecht
- Koop: onroerende voorrecht art. 27, 1° Hyp.W. >< aanneming: onroerende voorrecht art. 27,
5° Hyp.W.
- Koop: faillissement verkoper – opdrachtgever = SE voor voltooiing en eigenaar erna ><
aanneming: opdrachtgever = alleen SE
2: ALGEMEEN
De koop is per definitie een translatieve RH (brengen de overdracht mee van een bestaand subjectief
recht aan een nieuwe titularis).
Dit veronderstelt:
- Verkoper = beschikkingsbevoegd
- Verkoper draagt het eigendomsrecht over aan de koper uit hoofde van de
koopovereenkomst
>< overeenkomst tot vestiging van een zakelijk recht = onbenoemde overeenkomst (geen koop, maar
vaak zullen die regels naar analogie van toepassing zijn indien het gaat om een overdracht “onder
bezwarende titel”)
8
,Aangezien de eigendomsoverdracht van het verkochte goed een wezenlijk bestanddeel is van de
koopovereenkomst, kan die eigendomsoverdracht niet het voorwerp van een opschortende
voorwaarde uitmaken.
3: OGENBLIK VAN EIGENDOMSOVERDRACHT
Principe van consensuele eigendomsoverdracht
Een eenvoudig en louter akkoord van de partijen over het goed en de prijs heeft tot gevolg dat er
tussen de partijen onmiddellijk een overdracht van eigendom plaats heeft. Dus irrelevant of het goed
al is geleverd of de prijs al is betaald!
Loutere consensus tot het sluiten van de koop leidt tot de uitvoering van de dare-verbintenis
van de verkoper
Juridische levering vindt plaats door de loutere wilsovereenstemming
Art. 3.14, §2, lid 2 BW
Gevallen van uitgestelde eigendomsoverdracht
De eigendomsoverdracht is een wezenlijk bestanddeel, maar die hoeft niet noodzakelijkerwijze
plaats te hebben op het ogenblik van het sluiten van het contract.
Principe = onmiddellijke overdracht, maar dat is niet verplicht! Tijdstip = irrelevant
In sommige gevallen zal de eigendomsoverdracht niet onmiddellijk geschieden door een akkoord
over goed en prijs, maar op een later ogenblik.
Soortzaken: art. 3.44 BW, eigendomsoverdracht veronderstelt een individueel bepaalbaar
goed of geheel van goederen (art. 3.8 BW), dus er is eerst individualisatie vereist!
Toekomstig goed: eigendom gaat slechts over op het ogenblik dat het goed in werkelijkheid
bestaat
Algemeen erkend gebruik: in een bepaalde sector van de handel of nijverheid (bv.:
diamantenhandel: pas bij materiële afgifte)
Beding van eigendomsvoorbehoud: bedingen dat de eigendom overgaat op een later tijdstip
o Geldt principieel tussen partijen: alleen de eigendomsoverdracht is het voorwerp van
een opschortende voorwaarde (koopovereenkomst zelf is onvoorwaardelijk)
o Tegenover derden:
Onroerende goederen: meestal uitgesteld tot ondertekening authentieke
akte
Niet problematische dat het gaat om een louter interne afspraak
aangezien de SE van de verkoper niet zal protesteren want lijkt nog
alsof die eigenaar is + SE van de koper zal ook niet protesteren want
heeft geen weet van het feit dat deze eigenaar zou kunnen zijn
(indien wel dan heeft die ook kennis van het voorbehoud)
Indien het wordt uitgesteld tot een moment na de ondertekening
van de authentieke akte, dan moet ervoor worden gezorgd dat bij de
publiciteit van de koop ook dat voorbehoud wordt gepubliceerd!
Lichamelijke roerende goederen: Titel XVII BW, schriftelijk beding uiterlijk op
moment van levering (geen publiciteitsvereisten, tenzij de goederen
onroerend worden door incorporatie)
9
, Belang van het bepalen van het juiste tijdstip van eigendomsoverdracht
Risicoregeling: met de eigendom van het goed, gaat in principe ook het risico over op de koper! = art.
1138, lid 2 BW (“res perit domino”), tenzij de partijen dit hebben losgekoppeld in hun overeenkomst
(niet van dwingend recht, dus afwijking mogelijk), tenzij de wet een loskoppeling verbiedt (Wet
Breyne)
Bij eigendomsvoorbehoud: risico blijft bij de verkoper
Bijzondere bepalingen:
- Art. VI.44 WER: ter bescherming van de consument gaat het risico pas over op het moment
dat de consument de goederen fysiek in bezit heeft
o “goederen” = alleen lichamelijke roerende goederen! Art. I.1, 6° WER
Ook van belang in geval van faillissement van 1 van de partijen:
- Van de verkoper: stel eigendomsoverdracht vond al plaats dan zal de koper als eigenaar
aantreden en niet in samenloop met andere SE >< nog geen overdracht, dan wel een SE
- Van de koper: eigendomsoverdracht uitgesteld tot volledige betaling, dan maar laten gelden
tegen de andere SE voorwaarden art. 3.30 BW
4: EIGENDOMSOVERDRACHT EN DE VERHOUDING TOT DERDEN
Art. 1138 en 1583 BW betreffen alleen de eigendomsoverdracht tussen de partijen: gebonden door
onderlinge toestemming (art. 1134 BW) en de eigendomsoverdracht vindt in principe plaats door
hun loutere wilsovereenstemming.
Verkoop van andermans zaak
Art. 1599 BW: verkoop van andermans zaak is nietig en kan een grond tot SV opleveren wanneer de
koper niet wist dat het goed aan een ander toebehoorde. Wanneer de verkoper geen eigenaar is, kan
deze ook niet het eigendomsrecht overdragen (1 van de wezenlijke kenmerken) = Nemo plus iuris (cf.
art. 3.6 BW)
Bv.: verkoop door een mede-eigenaar van het onverdeelde goed in zijn geheel
Remedie vanuit goederenrecht = niet-tegenwerpelijkheid (art. 3.73 BW)
Gehele nietigheid of enkel van het deel dat te veel is verkocht? Koper verwerft dan een deel
van het onverdeelde goed, dus ontstaat er toevallige ME waarbij men dan de verdeling kan
vorderen. Maar duidelijk dat de koop het geheel betrof, dan moet ook de nietigheid
betrekking hebben op het geheel want men wil niet zomaar in verdeling met iemand anders!
Bv.: per vergissing bv. bij de perceelsgrens, dan ten dele andermans goed verkocht
Geen sprake van verkoop van andermans zaak:
In geval van bevoegd of onbevoegd optreden door een vertegenwoordiger van de verkoper =
probleem zit in de lastgeving (= facre en niet dare)
In geval van sterkmaking: art. 1120 BW (koop komt rechtstreeks tot stand met de eigenaar)
Verkoop van soortgoederen waarvan de verkoper op het moment van het sluiten van de
overeenkomst (nog) geen eigenaar is. Indien de verkoper op het moment van specificatie
nog steeds geen eigenaar is, dan is er sprake van een contractuele wanprestatie: art. 1184
BW
10