Begrippenlijst fysiologie A
Basisbegrippen
- Diffusie: transport van zone met hoge concentratie naar zone met lage concentratie. Vergt geen
energie en loopt over een korte afstand
- Thermodynamische beweging: beweging van de moleculen door verandering in temperatuur
of door beweging
- Transportintensiteit Q: mate van het transport van moleculen in een substantie, door diffusie
- Concentratiegradiënt: maat voor verschil in concentratie tussen de plaatsen waar diffusie
plaatsvindt, gedeeld door de afstand tussen de plaatsen
- Diffusie-oppervlak: Oppervlakte van bijvoorbeeld een scheidingswand of van een celwand. Hoe
hoger, hoe meer diffusie
- Diffusiecoëfficiënt: wordt bepaald door de stof die in de oplossing zit. Afhankelijk van milieu en
bepaalde temperatuur
- Diffusie-afstand: afstand waarover diffusie gebeurt. Bijv. van celwand naar centrum cel. Hoe
kleiner, hoe groter Q
- Semi-permeabel: voor sommige moleculen doorlatend, voor andere moleculen niet. Zoals de
wanden van capillairen
- Osmose: transport van water door een semi-permeabel membraan
- Filtratie: externe kracht (zoals bloeddruk) nodig om water terug te duwen onder invloed van
drukverschillen. Er gaat hierbij energie verloren
- Osmotische druk: de druk die nodig is om voor vloeistoftransport te zorgen. Neemt toe als
aantal opgeloste partikels in de vloeistof toeneemt.
- Hydrostatische druk: de druk in het water. Komt overeen met de bloeddruk
- Iso-osmotisch: twee oplossingen hebben dezelfde osmotische druk
- Hyperosmotisch: de oplossing heeft een hogere OD tov de andere oplossing
- Hypo-osmotisch: de oplossing heeft een lagere OD tov de andere oplossing
- Osmolariteit: totaal aantal mol opgeloste moleculen/ionen = concentratie osmotisch actieve
partikels in 1 liter van een oplossing. In osmol/lit
- Osmolaliteit: totaal aantal opgeloste moleculen/ionen per kg water. In osmol/kg
- Aqua-poriën: proteïne-kanalen die specifiek toegankelijk zijn voor H2O. Aantal kan variëren
onder hormonale invloed regeling membraan permeabiliteit
- Turgor: verschil in hydrostatische druk in de plantencel doordat osmotische druk in de cel groter
is dan osmotische druk buiten de cel mechanische stijfheid van planten
- Water evaporatie: effectieve manier om systemen te behoeden voor oververhitting. De
gemiddelde snelheid van de moleculen daalt waardoor ook de lichaamstemperatuur daalt
- Polair: hydrofiel, houden van water. Hydrofiele delen steken langs weerszijden uit de membraan
in waterige oplossingen
- Apolair: hydrofoob, stoten water af. Hydrofobe gebieden zijn naar binnenzijde van het
membraan gericht
,Cellen en weefsels
- Passief transport: transport door membranen gestuurd door concentratie-gradiënten en
elektrische krachten. Er kan Epot vrijkomen
- Actief transport: is ATP voor nodig want tegen de gradiënt in (van lagere naar hogere
concentratie)
- Gefaciliteerde diffusie: van hoge naar lage concentratie zonder energietoevoer mbv eiwitten
- Competitieve inhibitie: ene stof kan niet meer op de receptor binden want de receptor is al
bezet door een andere stof
- Cytosol: het vocht in de cel. Dus cytoplasma zonder de celorganellen. Zitten opgeloste
organische moleculen in
- Cel-lyse: door te groot celvolume valt te cel uit elkaar
- Isotoon: oplossing die het celvolume niet verandert is isotoon: gelijke concentratie van opgeloste
stoffen
- Hypotoon: oplossing die het celvolume doet toenemen is hypotoon: lagere concentratie
opgeloste stoffen
- Hypertoon: oplossing die het celvolume doet afnemen is hypertoon: hogere concentratie
opgeloste stoffen
- Drager-eiwit: zijn molecuulspecifiek. Moleculen kunnen hierop binden. De dragers kunnen de
moleculen tegen de gradiënt in transporteren. Heten ook wel pompen
- Uniporter: drager-eiwit dat één soort molecule/ion transporteert
- Co-transporter: drager-eiwit die tegelijk verschillende types ionen/moleculen kan transporteren
- Symporter: transport van verschillende ionen/moleculen in dezelfde richting
- Antiporter: transport van verschillende ionen/moleculen in tegengestelde richting (meerdere
ionen/moleculen
- Endocytose: uit de cel. Maakt moeilijk opneembare stoffen opneembaar en maakt transport
mogelijk tussen vloeistofcompartimenten
- Exocytose: in de cel
- Transcytosis: vesikels worden aan de ene zijde opgenomen en aan de andere zijde afgestoten
- Gereguleerde exocytose: vesikels worden door transmittors/hormonen geprikkeld waarop
secretie volgt ([Ca2+])
- Pinocytose: wanneer cellen constant vocht opnemen met opgeloste substanties. Cellulair
drinken
- Receptor-gemediëerde endocytosis: cellen nemen moleculen op die vooraf werden gebonden
op receptoren in de membraan
- Coated pits: vesikelvorming in membraan regio’s
- Clathrine: speciale eiwitten die cytoplasma-zijde van de pits bedekken. Hier wordt het receptor-
moleculecomplex vertraagd/opgehouden. Na instulpen en afsplitsen recyclage van clathrine
- Fagocytose: neutrofielen en macrofagen die bacteriën of celdetritus opnemen
- Pseudopoden: vesikel gevormd door extensies ipv invaginatie (naar binnen plooien membraan)
- Fagosomen: vesikels die iets groter zijn dan gewone vesikels
- Hormoon: scheikundige boodschapper die informatie brengt van endocriene cellen naar
doelcellen
- Doelorgaancellen/targetcellen: cellen die door een hormoon worden ‘bespeeld’
- Paracrien effect: cellen scheiden hormonen uit naar directe buurcellen
- Signaaltransductiesysteem: vorming van een intracellulaire signaalmolecule second
messenger
- Cytosolreceptoren: hormoon-receptorcomplex kan celfunctie direct beïnvloeden
- Biologische respons: iets wat een doelcel doet als reactie op het signaal dat het krijgt
o Afhankelijk van het aantal receptoren met gebonden signaalmolecule
, o Er is een maximale biologische respons
o Slechts wanneer de [signaalmoleculen] > bepaalde minimale, kritische drempel
- Sensorische cel: cel die reageert met een elektrische stimulus nadat het geprikkeld wordt
- Proteïne-kinases: intracellulaire boodschapper systemen werken vaak door het regelen van
specifieke enzymactiviteit
o Fosforyleren cellulaire proteïnes
o Fosfaatgroep negatief geladen conformatiewijziging functie-wijziging
o Ca2+ belangrijk signaal-ion
- Vetoplosbare hormonen: steroïden en thyroïdhormonen. Kunnen doorheen membraan
diffunderen. Hun receptoren liggen intracellulair
- Wateroplosbare hormonen: neurotransmitters en meeste andere hormonen. Kunnen niet
doorheen celmembraan, receptoren liggen in het membraan. Second messenger nodig
- Agonisten: moleculen die aan receptor binden en een effect bewerken
- Antagonisten: moleculen die aan receptor binden en geen biologisch effect bewerken en
daardoor de receptor blokkeren
- Ligand: moleculen die specifiek aan receptoren binden
- Bindingsplaats: specifieke plek (door 3D-structuur) waar de moleculen op de receptor binden
- Receptor-affiniteit: receptoren hebben een hoge affiniteit voor signaalmolecules. Ze willen graag
verbinden met het hormoon
o Uitgedrukt als Ka=[HR]/([H]*[R])
o Ka = associatieconstante: de mate waarin receptor en signaalmolecule elkaar graag zien
- Verzadigbaarheid: gelimiteerde bindingscapaciteit
Basisbegrippen
- Diffusie: transport van zone met hoge concentratie naar zone met lage concentratie. Vergt geen
energie en loopt over een korte afstand
- Thermodynamische beweging: beweging van de moleculen door verandering in temperatuur
of door beweging
- Transportintensiteit Q: mate van het transport van moleculen in een substantie, door diffusie
- Concentratiegradiënt: maat voor verschil in concentratie tussen de plaatsen waar diffusie
plaatsvindt, gedeeld door de afstand tussen de plaatsen
- Diffusie-oppervlak: Oppervlakte van bijvoorbeeld een scheidingswand of van een celwand. Hoe
hoger, hoe meer diffusie
- Diffusiecoëfficiënt: wordt bepaald door de stof die in de oplossing zit. Afhankelijk van milieu en
bepaalde temperatuur
- Diffusie-afstand: afstand waarover diffusie gebeurt. Bijv. van celwand naar centrum cel. Hoe
kleiner, hoe groter Q
- Semi-permeabel: voor sommige moleculen doorlatend, voor andere moleculen niet. Zoals de
wanden van capillairen
- Osmose: transport van water door een semi-permeabel membraan
- Filtratie: externe kracht (zoals bloeddruk) nodig om water terug te duwen onder invloed van
drukverschillen. Er gaat hierbij energie verloren
- Osmotische druk: de druk die nodig is om voor vloeistoftransport te zorgen. Neemt toe als
aantal opgeloste partikels in de vloeistof toeneemt.
- Hydrostatische druk: de druk in het water. Komt overeen met de bloeddruk
- Iso-osmotisch: twee oplossingen hebben dezelfde osmotische druk
- Hyperosmotisch: de oplossing heeft een hogere OD tov de andere oplossing
- Hypo-osmotisch: de oplossing heeft een lagere OD tov de andere oplossing
- Osmolariteit: totaal aantal mol opgeloste moleculen/ionen = concentratie osmotisch actieve
partikels in 1 liter van een oplossing. In osmol/lit
- Osmolaliteit: totaal aantal opgeloste moleculen/ionen per kg water. In osmol/kg
- Aqua-poriën: proteïne-kanalen die specifiek toegankelijk zijn voor H2O. Aantal kan variëren
onder hormonale invloed regeling membraan permeabiliteit
- Turgor: verschil in hydrostatische druk in de plantencel doordat osmotische druk in de cel groter
is dan osmotische druk buiten de cel mechanische stijfheid van planten
- Water evaporatie: effectieve manier om systemen te behoeden voor oververhitting. De
gemiddelde snelheid van de moleculen daalt waardoor ook de lichaamstemperatuur daalt
- Polair: hydrofiel, houden van water. Hydrofiele delen steken langs weerszijden uit de membraan
in waterige oplossingen
- Apolair: hydrofoob, stoten water af. Hydrofobe gebieden zijn naar binnenzijde van het
membraan gericht
,Cellen en weefsels
- Passief transport: transport door membranen gestuurd door concentratie-gradiënten en
elektrische krachten. Er kan Epot vrijkomen
- Actief transport: is ATP voor nodig want tegen de gradiënt in (van lagere naar hogere
concentratie)
- Gefaciliteerde diffusie: van hoge naar lage concentratie zonder energietoevoer mbv eiwitten
- Competitieve inhibitie: ene stof kan niet meer op de receptor binden want de receptor is al
bezet door een andere stof
- Cytosol: het vocht in de cel. Dus cytoplasma zonder de celorganellen. Zitten opgeloste
organische moleculen in
- Cel-lyse: door te groot celvolume valt te cel uit elkaar
- Isotoon: oplossing die het celvolume niet verandert is isotoon: gelijke concentratie van opgeloste
stoffen
- Hypotoon: oplossing die het celvolume doet toenemen is hypotoon: lagere concentratie
opgeloste stoffen
- Hypertoon: oplossing die het celvolume doet afnemen is hypertoon: hogere concentratie
opgeloste stoffen
- Drager-eiwit: zijn molecuulspecifiek. Moleculen kunnen hierop binden. De dragers kunnen de
moleculen tegen de gradiënt in transporteren. Heten ook wel pompen
- Uniporter: drager-eiwit dat één soort molecule/ion transporteert
- Co-transporter: drager-eiwit die tegelijk verschillende types ionen/moleculen kan transporteren
- Symporter: transport van verschillende ionen/moleculen in dezelfde richting
- Antiporter: transport van verschillende ionen/moleculen in tegengestelde richting (meerdere
ionen/moleculen
- Endocytose: uit de cel. Maakt moeilijk opneembare stoffen opneembaar en maakt transport
mogelijk tussen vloeistofcompartimenten
- Exocytose: in de cel
- Transcytosis: vesikels worden aan de ene zijde opgenomen en aan de andere zijde afgestoten
- Gereguleerde exocytose: vesikels worden door transmittors/hormonen geprikkeld waarop
secretie volgt ([Ca2+])
- Pinocytose: wanneer cellen constant vocht opnemen met opgeloste substanties. Cellulair
drinken
- Receptor-gemediëerde endocytosis: cellen nemen moleculen op die vooraf werden gebonden
op receptoren in de membraan
- Coated pits: vesikelvorming in membraan regio’s
- Clathrine: speciale eiwitten die cytoplasma-zijde van de pits bedekken. Hier wordt het receptor-
moleculecomplex vertraagd/opgehouden. Na instulpen en afsplitsen recyclage van clathrine
- Fagocytose: neutrofielen en macrofagen die bacteriën of celdetritus opnemen
- Pseudopoden: vesikel gevormd door extensies ipv invaginatie (naar binnen plooien membraan)
- Fagosomen: vesikels die iets groter zijn dan gewone vesikels
- Hormoon: scheikundige boodschapper die informatie brengt van endocriene cellen naar
doelcellen
- Doelorgaancellen/targetcellen: cellen die door een hormoon worden ‘bespeeld’
- Paracrien effect: cellen scheiden hormonen uit naar directe buurcellen
- Signaaltransductiesysteem: vorming van een intracellulaire signaalmolecule second
messenger
- Cytosolreceptoren: hormoon-receptorcomplex kan celfunctie direct beïnvloeden
- Biologische respons: iets wat een doelcel doet als reactie op het signaal dat het krijgt
o Afhankelijk van het aantal receptoren met gebonden signaalmolecule
, o Er is een maximale biologische respons
o Slechts wanneer de [signaalmoleculen] > bepaalde minimale, kritische drempel
- Sensorische cel: cel die reageert met een elektrische stimulus nadat het geprikkeld wordt
- Proteïne-kinases: intracellulaire boodschapper systemen werken vaak door het regelen van
specifieke enzymactiviteit
o Fosforyleren cellulaire proteïnes
o Fosfaatgroep negatief geladen conformatiewijziging functie-wijziging
o Ca2+ belangrijk signaal-ion
- Vetoplosbare hormonen: steroïden en thyroïdhormonen. Kunnen doorheen membraan
diffunderen. Hun receptoren liggen intracellulair
- Wateroplosbare hormonen: neurotransmitters en meeste andere hormonen. Kunnen niet
doorheen celmembraan, receptoren liggen in het membraan. Second messenger nodig
- Agonisten: moleculen die aan receptor binden en een effect bewerken
- Antagonisten: moleculen die aan receptor binden en geen biologisch effect bewerken en
daardoor de receptor blokkeren
- Ligand: moleculen die specifiek aan receptoren binden
- Bindingsplaats: specifieke plek (door 3D-structuur) waar de moleculen op de receptor binden
- Receptor-affiniteit: receptoren hebben een hoge affiniteit voor signaalmolecules. Ze willen graag
verbinden met het hormoon
o Uitgedrukt als Ka=[HR]/([H]*[R])
o Ka = associatieconstante: de mate waarin receptor en signaalmolecule elkaar graag zien
- Verzadigbaarheid: gelimiteerde bindingscapaciteit