KRACHTIGE LEEROMGEVING TENTAMEN SAMENVATTING
College 1: Arrangeren van leersituaties
Didactische werkvormen: activiteiten die door de leerkracht of leerling
worden ondernomen om lesdoelen zo efficiënt mogelijk te bereiken.
- 2 aspecten: opvoeding (sociaal) en vorming (kennis, vaardigheden, attitude)
Didactische driehoek: leerstof, leerling en leerkracht daarin betrokken.
Leerstofkenmerken: kennis: automatiseren, memoriseren, onderling
verband leggen, woordbegrip -> woord bij juiste voorwerp plaatsen, relaties/ patronen kennen,
inzicht bevorderend leren. Vaardigheden en attituden..
3 niveaus cognitieve leerstof:
Kennis: navertellen, benoemen, opnoemen en opsommen.
Inzicht: verband aangeven, beargumenteren, uitleggen, vergelijken, verklaren etc.
Toepassen: maken, ontwerpen, schrijven, uitvoeren
Leerkrachtkenmerken: onderwijsstijl, interesse en belangstelling, beschikbare tijd,
visie op mens en maatschappij en jouw vaardigheden
Leerlingkenmerken: kennis, interesse, cognitieve/ sociaal emotionele ontwikkeling,
leerstijl (is het een denker, doener, beslisser of dromer?).
Indeling werkvormen:
- interactievormen: geschikt voor informatie uitwisselen, leren overleggen, vragen leren stellen, naar
anderen luisteren, mening onder woorden brengen.
- instructievormen:
- opdrachtvormen
- samenwerkingsvormen
- spelvormen
3 typen klassikale gesprekken:
Onderwijsleergesprek: gestructureerd gesprek in dialoog over onderwerp. Ze kunnen op elkaar
reageren. De leerkracht stuurt.
Klassengesprek: gesprek tussen leerlingen over persoonlijke ideeën en ervaringen. Zo krijgen ze
kennis en inzicht in gedragspatronen andere leerling. Dit kan je gebruiken om beginsituatie te peilen,
creatief denken bevorderen en sociaal/veilig klimaat bevorderen, ook gebruiken om te evalueren.
Kringgesprek: kan probleemoplossend zijn, kennisverwervend, open, meningvormend,
besluitvormend.
• Kennisvragen:
“Wanneer was de tweede wereld oorlog?”
• Begripsvragen: Vragen naar samenhang/ hoofdzaken/ bijzaken onderscheiden.
“Wat is de kern van deze alinea?”
• Toepassingsvragen:
“Je loopt 3 km in het uur. Hoeveel in 3 ½ uur?”
• Denkvragen:
“Hoe kunnen we voorkomen dat ….?”
• Evaluatieve vragen: Oordelende/ evaluatieve vragen over kwesties.
“Denk je dat het goed is dat?”
Zorg voor een pauze naar de vraag, dat hij doelgericht is, vraag door, vraag duidelijk, spreidt de
beurten, laat ze uitpraten (als het fout is).
College 1: Arrangeren van leersituaties
Didactische werkvormen: activiteiten die door de leerkracht of leerling
worden ondernomen om lesdoelen zo efficiënt mogelijk te bereiken.
- 2 aspecten: opvoeding (sociaal) en vorming (kennis, vaardigheden, attitude)
Didactische driehoek: leerstof, leerling en leerkracht daarin betrokken.
Leerstofkenmerken: kennis: automatiseren, memoriseren, onderling
verband leggen, woordbegrip -> woord bij juiste voorwerp plaatsen, relaties/ patronen kennen,
inzicht bevorderend leren. Vaardigheden en attituden..
3 niveaus cognitieve leerstof:
Kennis: navertellen, benoemen, opnoemen en opsommen.
Inzicht: verband aangeven, beargumenteren, uitleggen, vergelijken, verklaren etc.
Toepassen: maken, ontwerpen, schrijven, uitvoeren
Leerkrachtkenmerken: onderwijsstijl, interesse en belangstelling, beschikbare tijd,
visie op mens en maatschappij en jouw vaardigheden
Leerlingkenmerken: kennis, interesse, cognitieve/ sociaal emotionele ontwikkeling,
leerstijl (is het een denker, doener, beslisser of dromer?).
Indeling werkvormen:
- interactievormen: geschikt voor informatie uitwisselen, leren overleggen, vragen leren stellen, naar
anderen luisteren, mening onder woorden brengen.
- instructievormen:
- opdrachtvormen
- samenwerkingsvormen
- spelvormen
3 typen klassikale gesprekken:
Onderwijsleergesprek: gestructureerd gesprek in dialoog over onderwerp. Ze kunnen op elkaar
reageren. De leerkracht stuurt.
Klassengesprek: gesprek tussen leerlingen over persoonlijke ideeën en ervaringen. Zo krijgen ze
kennis en inzicht in gedragspatronen andere leerling. Dit kan je gebruiken om beginsituatie te peilen,
creatief denken bevorderen en sociaal/veilig klimaat bevorderen, ook gebruiken om te evalueren.
Kringgesprek: kan probleemoplossend zijn, kennisverwervend, open, meningvormend,
besluitvormend.
• Kennisvragen:
“Wanneer was de tweede wereld oorlog?”
• Begripsvragen: Vragen naar samenhang/ hoofdzaken/ bijzaken onderscheiden.
“Wat is de kern van deze alinea?”
• Toepassingsvragen:
“Je loopt 3 km in het uur. Hoeveel in 3 ½ uur?”
• Denkvragen:
“Hoe kunnen we voorkomen dat ….?”
• Evaluatieve vragen: Oordelende/ evaluatieve vragen over kwesties.
“Denk je dat het goed is dat?”
Zorg voor een pauze naar de vraag, dat hij doelgericht is, vraag door, vraag duidelijk, spreidt de
beurten, laat ze uitpraten (als het fout is).