Het diagnostische schema/probleemanalyse:
Je moet weten waar wat onder valt.
Deze elementen moeten altijd in de Diëtistische Diagnose staan.
Somatisch = Al het lichamelijke (Zoals kauw- en slikproblemen), functioneel = Alles met betrekking op
de functie van het lichaam.
Een goede diëtistische diagnose = Stelt vast op prioriteit, sociaal, medicatie etc.
Ziektebesef is afhankelijk van:
- Opleidingsniveau/sociale klassen
- Weinig voorlichting/ kennis gehad
- Beroep
- Etc.
Diabetes de Novo
Real time glucose sensor (CGM):
Wordt onder de huid aangebracht en meet vanuit daar continue de bloedsuikerwaarde.
- Kalibratiepunten zijn noodzakelijk: Je moet dan buiten deze meter, zelf meten d.m.v. een
vinger prik
o De waarde die uit de vingerprik komt voer je in je insuline pomp zodat hij insuline
spuit, of spuit je zelf bij
o Streefwaarde: 4-8 mmol/L
Een insuline pomp kan niet gelijk bij een (nieuwe) diabeet omdat:
- Honeymoonfase
o Alvleesklier maakt toch nog wel wat insuline aan
Duurt maximaal een jaar
Schommelt per dag
- Geringe kennis
Bij een pomp moet je vaak bij de maaltijden nog wel spuiten want het geeft een standaard
hoeveelheid af. Wanneer je dit niet doet kan je een hyper krijgen.
1
, Afvallen bij Diabetes is lastig omdat je insuline niet opneemt. Hierdoor wordt er vaak een
koolhydraatarm- of mediterraan (met weinig koolhydraten) dieet toegepast zodat de cliënt alsnog
kan afvallen.
Bij Diabetes Mellitus type 1 laat je de cliënt zelf (met jou) uitzoeken wat ze wel en niet kunnen eten.
Hierdoor leren ze wat de verhouding moet zijn qua insuline bij de maaltijd.
De regel van 500 is niet heel betrouwbaar (500/kortwerkende = ratio). Daarom doe je het volgende:
1. De ratio bepalen
Het aantal gegeten koolhydraten (gram) / het aantal ingespoten eenheden (mmol/L)
= Hoeveelheid koolhydraten per gespoten eenheid = De ratio
Betekenis ratio: 1 eenheid insuline bij … koolhydraten
De ratio is per maaltijd anders
Ratio’s kunnen met de leeftijd veranderen. Kinderen hebben bijvoorbeeld een lagere
ratio dan volwassenen
Bij een insulinepomp of een flexibel spuitschema moet de cliënt een 5-daagse
voedingsdagboek bijhouden om zo de koolhydraten ratio te berekenen
2. De cliënt een eetdagboek bij laten houden
Hierbij moet ze de bloedsuiker meten zowel voor de maaltijd als 2h erna
Houdt de cliënt het aantal insuline bij wat de hij/zij spuit
Focus vooral op de aantal koolhydraten
3. Via het dagboekje kijken hoeveel insuline hij/zij daadwerkelijk moet inspuiten
Voorkeur is dat de bloedsuikerwaarde in het bloed iets is gestegen
o 2 à 3 punten verschil (mmol)
Tips:
- Vaak is het ook goed om bij tussendoortjes kortwerkende insuline bij te spuiten. Dit ligt aan
de aantal koolhydraten in het tussendoortje. Meer dan 15 gram koolhydraten = spuiten!
- Kijk ook naar de bloedwaarde van na de ene maaltijd, en de bloedwaarde van vóór de
maaltijd.
o Voorbeeld:
Stel ze is na de lunch 10,7 en voor het avondeten 5,4. Hierbij heeft ze wel een
tussendoortje gegeten maar heeft hierbij niet gespoten (bij 20 gram). Hier kan je dus
zien dat het goed is dat ze nog iets tussendoor heeft gegeten zonder te spuiten, want
anders had ze een hypo gehad.
Wanneer een cliënt een (te) hoge bloedwaarde vóór de maaltijd heeft kijk je naar de
insulinegevoeligheid (CF) om te bepalen hoeveel je bloedsuikerwaarde daalt per ingespoten eenheid.
CF = 100/Totale insuline dagdosis
- De totale insuline dagdosis = Kortwerkende + langwerkende insuline
- Dit is de regel van 100
- De insulinegevoeligheid is hoger bij het ontbijt dan in de middag
Voorbeeld:
Totale insuline dagdosis = 8 eenheden langwerkende insuline + 23 kortwerkende = 31
CF = 100/31 = 3.
Dit wil dus zeggen: Op 1 eenheid insuline daalt de bloedsuikerwaarde met 3 mmol.
Voorbeeld:
De patiënt heeft een hoge bloedsuiker van 14 mmol/L. Haar CF is 3. Je wil dat haar bloedsuiker daalt
naar 8 mmol/L. Wat doe je?:
14-8 = 6 -> 6/3= 2. Ofwel; ze moet 2 eenheden extra spuiten.
2