METHODOLOGIE VAN DE SOCIALE
WETENSCHAPPEN
Inhoudstafel
Bestaat uit 4 delen
Deel 1: Basisbegrippen
- H1 Waarom sociaalwetenschappelijk onderzoek?
- H2 Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
- H3 Filosofische achtergrond: epistemologische beginselen
- H4 Ethiek in sociaalwetenschappelijk onderzoek
Deel 2: Planning en voorbereiding van empirisch onderzoek
- H5 Onderzoek ontwerpen: strategie en doelstellingen
- H6 Kwantitatieve en kwalitatieve meting
- H7 Selectie van onderzoekseenheden: steekproeven
Deel 3: Kwantitatieve methodes
- H8 Experimentele ontwerpen
- H9 Surveyonderzoek
- H10 Niet-reactief onderzoek en secundaire data-analyse
Deel 4: Kwalitatieve methodes
- H11 Veldonderzoek en participerende observatie
- H12 Diepte-interviews en focusgroepen
- H13 Historisch-vergelijkend onderzoek
, DEEL 1: BASISVAARDIGHEDEN
Hoofdstuk 1: sociaal wetenschappelijk
Doelstellingen van deze module:
- Voorbeelden van sociaalwetenschappelijk onderzoek kunnen
herkennen
- Het belang van onderzoek in de samenleving kunnen duiden
- Het belang van methodologie kunnen inschatten
onderzoek
Inleiding
Kennis van methodologie is onmisbaar in een tijd waarin informatie ons overspoelt.
Resultaten en bevindingen van sociaal wetenschappelijk onderzoek vind je tegenwoordig
overal: in de populaire media, op blogs, op websites of in het nieuws. (bv:
verkiezingspeilingen, slaagpercentages, coronacijfers).
Wetenschappelijk onderzoek is overal aanwezig in het dagelijks leven.
In deze cursus hebben we een aantal doelstellingen voor ogen:
1. Kritische omgang met resultaten stimuleren mensen maken talloze claims
over hoe de wereld in elkaar zit (zowel in wetenschappelijke artikelen, sociale
media, …). Inzicht in wat wetenschappelijk gefundeerd is, is essentieel om de
kwaliteit van de claims te kunnen beoordelen
2. Nodige kennis aanreiken zodat je zelf aan de slag kan gaan als onderzoeker
bekijken + leren van een aantal basisprocedures
3. Specifieke jargon van sociaal wetenschappelijk onderzoek aanleren dus het
aanreiken van woordenschat.
Om deze doelstellingen te realiseren is de cursus opgebouwd uit een boomstructuur (4
delen)
1. Deel 1: basisbegrippen = fundamenten van onderzoek (de wortels van de boom)
+ wetenschapsfilosofie en ethiek in onderzoek
2. Deel 2: planning en voorbereiding (de stam van de boom)
Hierna vertakt de boom zich en behandelt elk hoofdstuk een apart onderzoeksdesign, dat
is opgedeeld in twee groepen
3. Deel 3: kwantitatieve methode (experimenten, survey onderzoek, niet reactieve
databronnen)
4. Deel 4: kwalitatieve methode (etnografisch onderzoek, diepte-interview en
historisch vergelijkend onderzoek)
Boek: De geïnteresseerde leek inwijden in deze methodologische voorschriften en
procedures.
Doelstellingen boek:
1. Kennismaken met de fundamenten en basisprocedures van
sociaalwetenschappelijk onderzoek.
+ Leren kennen van basistypes en -procedures van sociaalwetenschappelijk
onderzoek.
2. De lezer in staat stellen om discussies binnen het sociaalwetenschappelijk veld te
volgen.
+ Studies kunnen evalueren op hun wetenschappelijke merites.
3. Het nodige vocabularium leveren om over sociaalwetenschappelijk onderzoek te
kunnen praten.
,Begrip: methodologie
Hoofdstuk 1:
- Enkele voorbeelden van onderzoek die illustreren wat (sociaal)wetenschappelijk
onderzoek kan inhouden.
- Op welke wijze onderzoeksvragen een antwoord krijgen.
- Hoe je een onderzoek kritisch kan benaderen.
Enkele voorbeelden
1. De opwarming van de aarde: An Inconvenient Truth versus The Great Global
Warming Swindle
2. De “War against Crime” in New York: werkt het?
- Criminologische theorie: de “broken windows” theorie
(kern van de “broken windows” theorie staat op pagina 9 in het handboek)
3. Botsende beschavingen
4. Polls bij verkiezingen: verteken(en)d?
5. De wetenschapper als bokser?
6. Verband tussen gamen en agressie
Wetenschappelijke aanpak
Wetenschappelijke inzichten zijn gebaseerd op het toepassen van regels en procedures
die de kwaliteit en het waarheidsgehalte van die inzichten maximaliseren.
- Het bezitten van kennis en inzicht in een heel arsenaal theorieën over een bepaald
probleem.
- Het toepassen van methoden en technieken om tot geldige en betrouwbare kennis
te komen.
Keuzes en procedures sturen sociaal wetenschappelijk onderzoek.
Methodologie ↔ methoden
- Methodologie: het hele proces van wetenschapsbeoefening
- Methoden: het geheel van specifieke technieken die je in wetenschapsbeoefening
gebruikt om onderzoekseenheden te selecteren, er gegevens over te verzamelen,
die gegevens te analyseren en de resultaten te rapporteren.
nauw verbonden met elkaar
Alternatieve bronnen van kennis over de werkelijkheid:
- Persoonlijke ervaringen
Selectieve observatie: je gaat speciaal letten op bepaalde mensen of
situaties en van daaruit veralgemeningen maakt.
- Media
- Ideologische overtuigingen of waarden
Neiging tot overgeneraliseren of waargenomen verbanden door te trekken naar andere
mensen of situaties
Methodologie reikt je de essentiële bouwstenen aan om wetenschappelijke kennis over
de sociale omgeving op te bouwen.
- Eerste bouwsteen: een theorie of theoretische inzichten die gebaseerd zijn op
empirische data of gegevens uit de werkelijkheid waarover die theorieën een
uitspraak willen doen.
Micro-, meso- en macrolevel theorieën
- Tweede bouwsteen: data of gegevens over de werkelijkheid
Empirische data
Kwantitatieve data
Kwalitatieve data
,Correlatie vs. causaliteit:
- Correlatie betekent dat er een verband is tussen twee factoren, maar het hoeft
niet te betekenen dat er een oorzaak-gevolg relatie is (causaal verband). Soms is
er zowel een correlatie als een causaal verband.
- Causaliteit betekent dat een verandering in de ene variabele een verandering in
de andere variabele veroorzaakt.
Hoofdstuk 2: bouwstenen en soorten
Doelstellingen van deze module:
- De componenten van de empirische cyclus van onderzoek begrijpen
- De logica van de processen van inductie en deductie kunnen herkennen en
toepassen
- De voornaamste criteria om onderzoek te evalueren -geldigheid en
betrouwbaarheid- kunnen identificeren
- De verscheidenheid van soorten onderzoek kunnen onderscheiden
sociaalwetenschappelijk onderzoek
Inleiding
Het doel van sociaalwetenschappelijk onderzoek is theoretische kennis op te bouwen
over de samenleving.
Wat is onderzoek precies? Hoe verschilt wetenschappelijk onderzoek van andere
kennissystemen.
Interesse in “kennis over het sociale” maar waar komt deze kennis vandaan?
- Theorie: denken is de bron van alle kennis
- Empirie: observeren (met behulp van onze zintuigen vaststellen hoe de wereld in
elkaar steekt)
goede kennis is gebaseerd op zowel nadenken als observatie
Sociaal wetenschappelijk onderzoek heeft beide componenten nodig: onderzoek
combineert theoretische inzichten en empirische observatie om zo goede kennis
te produceren.
De combinatie van theorie en empirie = de empirische cyclus van onderzoek
In de methodologie: op welke wijzen kunnen we theorie en empirie combineren om zo
kennis te produceren.
Wat maakt wetenschappelijke kennis superieur aan andere bronnen?
Wetenschappelijke kennis:
- Observeerbare fenomenen: wetenschap handelt over zaken die we kunnen
observeren.
, - Methodologische spelregels: wetenschap is gebaseerd op systematische
observatie, volgens de methodologische spelregels.
- “Waarheid” als criterium: wetenschap is enkel geïnteresseerd in de waarheid.
Theorie & empirie
= vormen de basis van onderzoek
Theorie
= Een verhaal dat verklaart hoe de wereld rondom ons in elkaar zit.
Sociaalwetenschappelijke theorie:
Job demand-control model (Karasek) = verklaart waarom sommige jobs tot meer
stress leiden dan anderen.
- Jobs verschillen op twee cruciale vlakken: werkdruk en autonomie
- Op basis van deze twee dimensies worden 4 soorten jobs onderscheden:
Slopende job: hoge werkdruk, weinig autonomie (vb: bandwerker)
hoogste stressniveau
Zinloze job: lage werkdruk, veel autonomie
Actieve job: hoge werkdruk, veel autonomie
Passieve job: lage werkdruk, weinig autonomie
Naarmate dat de werkdruk hoger ligt en de werknemers minder autonomie
hebben, zal er meer werkstress ontstaan.
Theorieën bestaan uit twee basisblokken: concepten en proposities
- Concept: een algemeen en abstract idee dat als een label dient om concreet
waarneembare zaken of fenomenen te categoriseren.
In het job demand-control model vinden we veel concepten terug:
werkdruk, autonomie, 4 types jobs.
- Propositie: veronderstelde relatie tussen concepten. Theorieën bevatten
stellingen over hoe concepten met elkaar gerelateerd zijn.
Het job demand-control model stelt dat het concept ‘slopende job’ gelinkt
is aan het fenomeen stress.
Een wetenschappelijke theorie moet voldoen aan een aantal kenmerken:
- Logisch consistent: de proposities mogen elkaar niet tegenspreken.
- Veralgemeenbaar: een theorie gaat niet over één concrete case, maar heeft een
ruimer toepassingsgebied.
- Spaarzaam: hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om een
fenomeen te verklaren, hoe beter.
- Verklaringskracht: een theorie is beter naarmate meer ze succesvol.
- Empirisch toetsbaar: het moet mogelijk zijn om via observatie na te gaan of de
theorie overstemt met de realiteit.
Verifieerbaar: fenomenen die op een manier geobserveerd kunnen
worden.
Falsifieerbaar: (weerlegbaar) je moet observaties kunnen inbeelden die
de theorie zouden kunnen weerleggen.
Drie soorten theorieën die verschillen in de mate van veralgemeenbaarheid:
Formele theorieën: Een theorie waar alle inhoudt weggehaald is en
alleen de vorm overblijft.
, Menselijk gedrag proberen te verklaren a.d.h.v. vormelijke
kenmerken van menselijk gedrag
Vb. rational choice theory: Mensen zijn rationale wezens die
constant kosten-batenanalyse gaan maken
Sterk veralgemeenbaar
Grand theories: theorieën die alles (heel de samenleving) proberen te
verklaren.
Sterk veralgemeenbaar
Kritiek op andere theoretici die het te algemeen aanpakken
Vb: functionalisme van Parsons, historisch materialisme Marx
Moeilijk empirisch toetsbaar
Middle range theories: focussen op beperktere fenomenen
Vb: job demand-control model
Empirie
= Het ervaren van de wereld rondom ons door waarneming. Door middel van onze
zintuigen observeren we de realiteit.
De vraag: “In welke mate het mogelijk is objectieve observaties te doen die los staan van
de waarnemer?”
1. Wat we zien of horen is gekleurd door allerhande veronderstellingen en
verwachtingen.
2. Sociale wetenschappers zijn vaak geïnteresseerd in fenomenen die we niet zo
gemakkelijk kunnen observeren (vb: waarden en attitudes van mensen, of
interesse in vormen van deviant gedrag).
Job demand-control model talloze studies die deze theorie empirisch toetsen:
- In het meeste van deze studies bestaat het empirische materiaal uit ingevulde
vragenlijsten.
Onderzoekers observeren respondenten door enquêtes met vragen over
hun jobkenmerken en welzijn.
- Andere empirische strategie: mensen observeren terwijl ze aan het werk zijn.
Inductie & deductie
- Theorie en empirie zijn met elkaar verbonden via twee processen: inductie en
deductie.
- Empirische cyclus van onderzoek bestaat uit theorie, empirie, inductie en
deductie.
Deductie
= verwijst naar een gevolgtrekking van het algemene naar het specifieke
= deductie is de stap van theorie naar empirie.
Uit een algemene theorie leiden we verwachtingen of voorspellingen (hypothese) af voor
specifieke gevallen die we observeren. Die hypothese confronteren we met empirisch
materiaal met observaties.
Inductie
= van empirie naar theorie
,Op basis van het specifieke proberen we algemene conclusies te trekken (in termen van
onderzoek, uit de concrete observaties destilleren we een algemene wetmatigheid).
Inductie verwijst naar het proces waarbij een theorie als het ware oprijst uit empirische
observaties
Voorbeeld witte en zwarte zwanen:
- Algemene regel/theorie = “alle zwanen zijn wit”
- Uit deze stelregel kun je de hypothese of verwachting afleiden dat als je tijdens
een wandeling een specifieke zwaan tegenkomt dat die wit gaat zijn
= Deductie
van de algemene stelregel gaan we naar de specifieke zwaan
- Inductie werkt omgekeerd: een vogelliefhebber gaat overal zwanen observeren en
bij die observatie valt een patroon op, namelijk “alle geobserveerde zwanen zijn
wit”. Het opstellen van een algemene regel op basis van concrete observaties
= Inductie
Het probleem van inductie: “wat als er na jaren observatie van witte
zwanen, plots één zwart exemplaar opduikt?”
dan valt de algemene stelregel dat zwanen wit zijn volledig in duigen.
Inductief redeneren: Le Suicide (Émile Durkheim)
Hij observeerde bepaalde patronen in het voorkomen van zelfdoding. Bv: singles,
protestanten, mannen > vrouwen.
Deze concrete observaties zetten Durkheim er toe aan om een theorie op te stellen die
de oorzaak van zelfdoding zoekt niet in het psychologische maar in het sociale.
Volgens Durkheim wordt de kans op zelfdoding beïnvloedt door twee zaken:
- Sociale integratie
- Sociale regulering in een sociaal systeem
= sociale feiten, externe factoren die een invloed uitoefenen op het gedrag van
individuen.
4 types zelfdoding:
- Egoïstische zelfdoding
- Fatalistische zelfdoding
- Altruïstische zelfdoding
- Anomische zelfdoding: Dit type vinden we terug in samenleving waar het
regulerende karkater te zwak is en individuen in anomie leven.
Durkheim vormde zijn theorie op inductieve wijze. Later zijn er verschillende onderzoeken
geweest die zijn theorie op deductieve wijze getoetst hebben.
De deductieve oefening
Als Durkheim zijn theorie klopt dan verwachten we in samenlevingen waar de regulering
wegvalt, hoge zelfdoding cijfers te observeren.
- Cijfers van de WHO tonen de hoogste cijfers ter wereld in de Post Sovjet landen.
- Niet altijd zo geweest: vanaf 1990 (wanneer de Sovjet-Unie in elkaar stort) plotse
toename in het aantal zelfdodingen.
- Deze gebeurtenis zorgde ervoor dat het sterk regulerende karakter van het
communisme wegviel voor veel mensen.
Net zoals Durkheim zijn theorie voorspelt, leidde dit tot een piek in het aantal
anomische zelfdodingen.
, Voorbeeld van Le Suicide illustreert de volledige empirische cyclus:
Onderzoekers observeren en stellen op inductieve wijze theorieën op. Uit deze
theorieën wordt dan via deductie een hypothese afgeleid. Die hypothese wordt
getoetst aan nieuw empirisch materiaal.
Wanneer de theorie er niet in slaagt om de nieuwe observaties te verklaren, dan
moet de theorie worden bijgesteld waarna ze opnieuw kan worden getoetst en zo
maalt de empirisch cyclus verder.
= repliceren
Voorbeeld Ignaz Semmelweis (kraamvrouwenkoorts):
herhaaldelijk doorlopen van de empirische cyclus, waarbij theoretische inzichten
getoetst worden aan waarneembare feiten.
Vanuit ideeën en inzichten die groeiden uit de observatie van de patiënten in de
kraamkliniek, distilleerde Semmelweis hypotheses die hij dan toetste en evalueerde op
hun validiteit.
Kraamvrouwenkoorts was te wijten aan besmetting met lijkenmateriaal
Oplossing: handen wassen.
Evaluatiecriteria voor wetenschappelijke kennis
Twee criteria om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen: geldigheid en
betrouwbaarheid
hebben te maken met de afwezigheid van fouten (2 verschillen van fouten)
Geldigheid
= afwezigheid van systematische fouten (bias)
een conclusie is ongeldig als er een systematische fout inzit
Onderzoek = een effect van concept A op concept B
1. Theorie
2. Observatie (empirie)
doel van het onderzoek: bevindingen (van de observatie) te veralgemenen naar een
ruimere context of populatie, die ruimer is dan bij het onderzoek zelf.
Verschillende vormen van geldigheid:
- Meetgeldigheid: de vraag of de theoretische concepten goed gemeten zijn.
Is wat we observeren wel een goede indicator om iets te zeggen over de
concepten in de theorie?
- Externe geldigheid: de vraag of de resultaten van het onderzoek toepasbaar zijn
op een ruimere context.
Zijn onze observaties representatief voor een ruimere populatie?
Empirische of statische veralgemeningen: de generalisering
van bevindingen op basis van een beperkte steekproef naar de
ganse populatie waaruit de steekproef getrokken is.
Theoretische veralgemeningen: de toepassing van conclusies bij
populaties op een ander tijdstip, op een verschillende plaats, onder
, gewijzigde omstandigheden, of voor andere, maar gerelateerde
fenomenen.
- Interne geldigheid: de vraag of de relatie tussen concepten binnen het
onderzoek op een correcte wijze wordt voorgesteld.
Kunnen we wel degelijk besluiten dat concept A een invloed heeft op
concept B?
Of verloopt de causaliteit misschien in de omgekeerde richting?
Vaststellen van causaliteit speelt hierin een belangrijke rol:
Monocausale verklaringen: zo goed als onbestaand in de sociale
wetenschappen
Drie cruciale voorwaarden van een oorzakelijke relatie tussen twee
fenomenen:
o Covariatie of samenhang
o Duidelijke tijdsorde
o Veranderingen in fenomeen B kunnen niet verklaard worden
door andere factoren dan A
Zo ja, schijnverband
Complexe of samengestelde oorzaken
Betrouwbaarheid
= afwezigheid van toevallige fouten (error) minder erg dan systematische fouten
Toevalsfouten hebben de neiging elkaar te neutraliseren over- en onderschattingen
compenseren elkaar.
Systematisch ↔ toevallig:
- Toevallige fouten vertonen geen regelmatig patroon.
- Systematische fouten wijzen consistent in dezelfde richting.
Voorbeeld schietschijf
Onderzoeksvoorbeeld: peilingen Amerikaanse verkiezingen
Systematische fout: het overgrote deel van de peilingen heeft het
verkiezingsresultaat beduidend onderschat onbetrouwbaar
Ongeldigheid: Trump won de verkiezingen.
Vakmanschap als kwaliteitscriteria? peer review
, Soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
Er zijn verschillende soorten onderzoek die je kunt onderscheiden op basis van twee
criteria: toepassingsgebied en onderzoeksmethodologie.
Toepassingsgebied
Theoriegericht onderzoek:
= fundamenteel onderzoek
- Soms is het wetenschappelijke kennis een doel van het onderzoek op zich
kennisproductie
- Het onderzoek probeert de wereld beter te begrijpen en zo aan theorievorming te
doen
- Doelpubliek: andere wetenschappers
Praktijkgericht onderzoek:
- Kennis wordt gebruikt als middel voor het oplossen van een praktisch probleem
- Een actueel maatschappelijk probleem wordt aangepakt met de hulp van
wetenschap
- Typisch: in opdracht van de overheid of organisaties
- Twee types praktijkonderzoek: evaluatie- en actieonderzoek
- Evaluatieonderzoek: praktijkgericht onderzoek dat de implementatie,
effectiviteit en efficiëntie van interventies onderzoekt
Organisaties en overheden voeren allerhande maatregelen uit om de
sociale condities te verbeteren = sociale interventies
Evaluatieonderzoek probeert door de toepassing van wetenschappelijk
methode na te gaan of interventies ook het beoogde effect hebben, met de
focus op de implementatie, effectiviteit & efficiëntie ervan.
Cyclus van 7 stappen
De cyclus van evaluatieonderzoek
1. Probleem: startpunt is een praktijkprobleem dat
opgelost moet worden.
2. Diagnose: diagnose wordt opgesteld die een grondige
analyse van het probleem inhoudt.
3. Plan: beleidsmakers plannen een interventie om het
probleem op te lossen.
4. Implementatie: het plan wordt tot uitvoering
gebracht.
5. Procesevaluatie: is het proces goed verlopen?
6. Productevaluatie: is het gewenste effect bereikt?
7. Efficiëntie-evaluatie: staat het resultaat in verhouding
tot de kostprijs?
Voorbeeld van evaluatieonderzoek: Sesamstraat
1. Sociale interventie: kinderen uit bepaalde milieus kwamen met een
leerachterstand naar school. ongelijkheid in onderwijs aanpakken
2. Diagnose: kinderen krijgen te weinig prikkels om thuis te leren.
3. Plan: beleidsmakers maken gebruik van de verslavende effecten van tv om de
kinderen te stimuleren. Sesamstraat
4. Implementatie: uitzending van Sesamstraat
5. Evaluatie: het onderzoek legt bijvoorbeeld bloot dat het kijken naar Sesamstraat
enkel een effect heeft als de ouders actief betrokken zijn bij het kijken.
- Actieonderzoek: kennis geeft macht
Wie mensen in moeilijks sociale condities vooruit wil helpen, moet die
mensen kennis geven om iets aan die situatie te kunnen veranderen.
Kennis die onder de deelnemers verspreidt kan worden.
Geen strikte grens tussen onderzoeker en deelnemer
WETENSCHAPPEN
Inhoudstafel
Bestaat uit 4 delen
Deel 1: Basisbegrippen
- H1 Waarom sociaalwetenschappelijk onderzoek?
- H2 Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
- H3 Filosofische achtergrond: epistemologische beginselen
- H4 Ethiek in sociaalwetenschappelijk onderzoek
Deel 2: Planning en voorbereiding van empirisch onderzoek
- H5 Onderzoek ontwerpen: strategie en doelstellingen
- H6 Kwantitatieve en kwalitatieve meting
- H7 Selectie van onderzoekseenheden: steekproeven
Deel 3: Kwantitatieve methodes
- H8 Experimentele ontwerpen
- H9 Surveyonderzoek
- H10 Niet-reactief onderzoek en secundaire data-analyse
Deel 4: Kwalitatieve methodes
- H11 Veldonderzoek en participerende observatie
- H12 Diepte-interviews en focusgroepen
- H13 Historisch-vergelijkend onderzoek
, DEEL 1: BASISVAARDIGHEDEN
Hoofdstuk 1: sociaal wetenschappelijk
Doelstellingen van deze module:
- Voorbeelden van sociaalwetenschappelijk onderzoek kunnen
herkennen
- Het belang van onderzoek in de samenleving kunnen duiden
- Het belang van methodologie kunnen inschatten
onderzoek
Inleiding
Kennis van methodologie is onmisbaar in een tijd waarin informatie ons overspoelt.
Resultaten en bevindingen van sociaal wetenschappelijk onderzoek vind je tegenwoordig
overal: in de populaire media, op blogs, op websites of in het nieuws. (bv:
verkiezingspeilingen, slaagpercentages, coronacijfers).
Wetenschappelijk onderzoek is overal aanwezig in het dagelijks leven.
In deze cursus hebben we een aantal doelstellingen voor ogen:
1. Kritische omgang met resultaten stimuleren mensen maken talloze claims
over hoe de wereld in elkaar zit (zowel in wetenschappelijke artikelen, sociale
media, …). Inzicht in wat wetenschappelijk gefundeerd is, is essentieel om de
kwaliteit van de claims te kunnen beoordelen
2. Nodige kennis aanreiken zodat je zelf aan de slag kan gaan als onderzoeker
bekijken + leren van een aantal basisprocedures
3. Specifieke jargon van sociaal wetenschappelijk onderzoek aanleren dus het
aanreiken van woordenschat.
Om deze doelstellingen te realiseren is de cursus opgebouwd uit een boomstructuur (4
delen)
1. Deel 1: basisbegrippen = fundamenten van onderzoek (de wortels van de boom)
+ wetenschapsfilosofie en ethiek in onderzoek
2. Deel 2: planning en voorbereiding (de stam van de boom)
Hierna vertakt de boom zich en behandelt elk hoofdstuk een apart onderzoeksdesign, dat
is opgedeeld in twee groepen
3. Deel 3: kwantitatieve methode (experimenten, survey onderzoek, niet reactieve
databronnen)
4. Deel 4: kwalitatieve methode (etnografisch onderzoek, diepte-interview en
historisch vergelijkend onderzoek)
Boek: De geïnteresseerde leek inwijden in deze methodologische voorschriften en
procedures.
Doelstellingen boek:
1. Kennismaken met de fundamenten en basisprocedures van
sociaalwetenschappelijk onderzoek.
+ Leren kennen van basistypes en -procedures van sociaalwetenschappelijk
onderzoek.
2. De lezer in staat stellen om discussies binnen het sociaalwetenschappelijk veld te
volgen.
+ Studies kunnen evalueren op hun wetenschappelijke merites.
3. Het nodige vocabularium leveren om over sociaalwetenschappelijk onderzoek te
kunnen praten.
,Begrip: methodologie
Hoofdstuk 1:
- Enkele voorbeelden van onderzoek die illustreren wat (sociaal)wetenschappelijk
onderzoek kan inhouden.
- Op welke wijze onderzoeksvragen een antwoord krijgen.
- Hoe je een onderzoek kritisch kan benaderen.
Enkele voorbeelden
1. De opwarming van de aarde: An Inconvenient Truth versus The Great Global
Warming Swindle
2. De “War against Crime” in New York: werkt het?
- Criminologische theorie: de “broken windows” theorie
(kern van de “broken windows” theorie staat op pagina 9 in het handboek)
3. Botsende beschavingen
4. Polls bij verkiezingen: verteken(en)d?
5. De wetenschapper als bokser?
6. Verband tussen gamen en agressie
Wetenschappelijke aanpak
Wetenschappelijke inzichten zijn gebaseerd op het toepassen van regels en procedures
die de kwaliteit en het waarheidsgehalte van die inzichten maximaliseren.
- Het bezitten van kennis en inzicht in een heel arsenaal theorieën over een bepaald
probleem.
- Het toepassen van methoden en technieken om tot geldige en betrouwbare kennis
te komen.
Keuzes en procedures sturen sociaal wetenschappelijk onderzoek.
Methodologie ↔ methoden
- Methodologie: het hele proces van wetenschapsbeoefening
- Methoden: het geheel van specifieke technieken die je in wetenschapsbeoefening
gebruikt om onderzoekseenheden te selecteren, er gegevens over te verzamelen,
die gegevens te analyseren en de resultaten te rapporteren.
nauw verbonden met elkaar
Alternatieve bronnen van kennis over de werkelijkheid:
- Persoonlijke ervaringen
Selectieve observatie: je gaat speciaal letten op bepaalde mensen of
situaties en van daaruit veralgemeningen maakt.
- Media
- Ideologische overtuigingen of waarden
Neiging tot overgeneraliseren of waargenomen verbanden door te trekken naar andere
mensen of situaties
Methodologie reikt je de essentiële bouwstenen aan om wetenschappelijke kennis over
de sociale omgeving op te bouwen.
- Eerste bouwsteen: een theorie of theoretische inzichten die gebaseerd zijn op
empirische data of gegevens uit de werkelijkheid waarover die theorieën een
uitspraak willen doen.
Micro-, meso- en macrolevel theorieën
- Tweede bouwsteen: data of gegevens over de werkelijkheid
Empirische data
Kwantitatieve data
Kwalitatieve data
,Correlatie vs. causaliteit:
- Correlatie betekent dat er een verband is tussen twee factoren, maar het hoeft
niet te betekenen dat er een oorzaak-gevolg relatie is (causaal verband). Soms is
er zowel een correlatie als een causaal verband.
- Causaliteit betekent dat een verandering in de ene variabele een verandering in
de andere variabele veroorzaakt.
Hoofdstuk 2: bouwstenen en soorten
Doelstellingen van deze module:
- De componenten van de empirische cyclus van onderzoek begrijpen
- De logica van de processen van inductie en deductie kunnen herkennen en
toepassen
- De voornaamste criteria om onderzoek te evalueren -geldigheid en
betrouwbaarheid- kunnen identificeren
- De verscheidenheid van soorten onderzoek kunnen onderscheiden
sociaalwetenschappelijk onderzoek
Inleiding
Het doel van sociaalwetenschappelijk onderzoek is theoretische kennis op te bouwen
over de samenleving.
Wat is onderzoek precies? Hoe verschilt wetenschappelijk onderzoek van andere
kennissystemen.
Interesse in “kennis over het sociale” maar waar komt deze kennis vandaan?
- Theorie: denken is de bron van alle kennis
- Empirie: observeren (met behulp van onze zintuigen vaststellen hoe de wereld in
elkaar steekt)
goede kennis is gebaseerd op zowel nadenken als observatie
Sociaal wetenschappelijk onderzoek heeft beide componenten nodig: onderzoek
combineert theoretische inzichten en empirische observatie om zo goede kennis
te produceren.
De combinatie van theorie en empirie = de empirische cyclus van onderzoek
In de methodologie: op welke wijzen kunnen we theorie en empirie combineren om zo
kennis te produceren.
Wat maakt wetenschappelijke kennis superieur aan andere bronnen?
Wetenschappelijke kennis:
- Observeerbare fenomenen: wetenschap handelt over zaken die we kunnen
observeren.
, - Methodologische spelregels: wetenschap is gebaseerd op systematische
observatie, volgens de methodologische spelregels.
- “Waarheid” als criterium: wetenschap is enkel geïnteresseerd in de waarheid.
Theorie & empirie
= vormen de basis van onderzoek
Theorie
= Een verhaal dat verklaart hoe de wereld rondom ons in elkaar zit.
Sociaalwetenschappelijke theorie:
Job demand-control model (Karasek) = verklaart waarom sommige jobs tot meer
stress leiden dan anderen.
- Jobs verschillen op twee cruciale vlakken: werkdruk en autonomie
- Op basis van deze twee dimensies worden 4 soorten jobs onderscheden:
Slopende job: hoge werkdruk, weinig autonomie (vb: bandwerker)
hoogste stressniveau
Zinloze job: lage werkdruk, veel autonomie
Actieve job: hoge werkdruk, veel autonomie
Passieve job: lage werkdruk, weinig autonomie
Naarmate dat de werkdruk hoger ligt en de werknemers minder autonomie
hebben, zal er meer werkstress ontstaan.
Theorieën bestaan uit twee basisblokken: concepten en proposities
- Concept: een algemeen en abstract idee dat als een label dient om concreet
waarneembare zaken of fenomenen te categoriseren.
In het job demand-control model vinden we veel concepten terug:
werkdruk, autonomie, 4 types jobs.
- Propositie: veronderstelde relatie tussen concepten. Theorieën bevatten
stellingen over hoe concepten met elkaar gerelateerd zijn.
Het job demand-control model stelt dat het concept ‘slopende job’ gelinkt
is aan het fenomeen stress.
Een wetenschappelijke theorie moet voldoen aan een aantal kenmerken:
- Logisch consistent: de proposities mogen elkaar niet tegenspreken.
- Veralgemeenbaar: een theorie gaat niet over één concrete case, maar heeft een
ruimer toepassingsgebied.
- Spaarzaam: hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om een
fenomeen te verklaren, hoe beter.
- Verklaringskracht: een theorie is beter naarmate meer ze succesvol.
- Empirisch toetsbaar: het moet mogelijk zijn om via observatie na te gaan of de
theorie overstemt met de realiteit.
Verifieerbaar: fenomenen die op een manier geobserveerd kunnen
worden.
Falsifieerbaar: (weerlegbaar) je moet observaties kunnen inbeelden die
de theorie zouden kunnen weerleggen.
Drie soorten theorieën die verschillen in de mate van veralgemeenbaarheid:
Formele theorieën: Een theorie waar alle inhoudt weggehaald is en
alleen de vorm overblijft.
, Menselijk gedrag proberen te verklaren a.d.h.v. vormelijke
kenmerken van menselijk gedrag
Vb. rational choice theory: Mensen zijn rationale wezens die
constant kosten-batenanalyse gaan maken
Sterk veralgemeenbaar
Grand theories: theorieën die alles (heel de samenleving) proberen te
verklaren.
Sterk veralgemeenbaar
Kritiek op andere theoretici die het te algemeen aanpakken
Vb: functionalisme van Parsons, historisch materialisme Marx
Moeilijk empirisch toetsbaar
Middle range theories: focussen op beperktere fenomenen
Vb: job demand-control model
Empirie
= Het ervaren van de wereld rondom ons door waarneming. Door middel van onze
zintuigen observeren we de realiteit.
De vraag: “In welke mate het mogelijk is objectieve observaties te doen die los staan van
de waarnemer?”
1. Wat we zien of horen is gekleurd door allerhande veronderstellingen en
verwachtingen.
2. Sociale wetenschappers zijn vaak geïnteresseerd in fenomenen die we niet zo
gemakkelijk kunnen observeren (vb: waarden en attitudes van mensen, of
interesse in vormen van deviant gedrag).
Job demand-control model talloze studies die deze theorie empirisch toetsen:
- In het meeste van deze studies bestaat het empirische materiaal uit ingevulde
vragenlijsten.
Onderzoekers observeren respondenten door enquêtes met vragen over
hun jobkenmerken en welzijn.
- Andere empirische strategie: mensen observeren terwijl ze aan het werk zijn.
Inductie & deductie
- Theorie en empirie zijn met elkaar verbonden via twee processen: inductie en
deductie.
- Empirische cyclus van onderzoek bestaat uit theorie, empirie, inductie en
deductie.
Deductie
= verwijst naar een gevolgtrekking van het algemene naar het specifieke
= deductie is de stap van theorie naar empirie.
Uit een algemene theorie leiden we verwachtingen of voorspellingen (hypothese) af voor
specifieke gevallen die we observeren. Die hypothese confronteren we met empirisch
materiaal met observaties.
Inductie
= van empirie naar theorie
,Op basis van het specifieke proberen we algemene conclusies te trekken (in termen van
onderzoek, uit de concrete observaties destilleren we een algemene wetmatigheid).
Inductie verwijst naar het proces waarbij een theorie als het ware oprijst uit empirische
observaties
Voorbeeld witte en zwarte zwanen:
- Algemene regel/theorie = “alle zwanen zijn wit”
- Uit deze stelregel kun je de hypothese of verwachting afleiden dat als je tijdens
een wandeling een specifieke zwaan tegenkomt dat die wit gaat zijn
= Deductie
van de algemene stelregel gaan we naar de specifieke zwaan
- Inductie werkt omgekeerd: een vogelliefhebber gaat overal zwanen observeren en
bij die observatie valt een patroon op, namelijk “alle geobserveerde zwanen zijn
wit”. Het opstellen van een algemene regel op basis van concrete observaties
= Inductie
Het probleem van inductie: “wat als er na jaren observatie van witte
zwanen, plots één zwart exemplaar opduikt?”
dan valt de algemene stelregel dat zwanen wit zijn volledig in duigen.
Inductief redeneren: Le Suicide (Émile Durkheim)
Hij observeerde bepaalde patronen in het voorkomen van zelfdoding. Bv: singles,
protestanten, mannen > vrouwen.
Deze concrete observaties zetten Durkheim er toe aan om een theorie op te stellen die
de oorzaak van zelfdoding zoekt niet in het psychologische maar in het sociale.
Volgens Durkheim wordt de kans op zelfdoding beïnvloedt door twee zaken:
- Sociale integratie
- Sociale regulering in een sociaal systeem
= sociale feiten, externe factoren die een invloed uitoefenen op het gedrag van
individuen.
4 types zelfdoding:
- Egoïstische zelfdoding
- Fatalistische zelfdoding
- Altruïstische zelfdoding
- Anomische zelfdoding: Dit type vinden we terug in samenleving waar het
regulerende karkater te zwak is en individuen in anomie leven.
Durkheim vormde zijn theorie op inductieve wijze. Later zijn er verschillende onderzoeken
geweest die zijn theorie op deductieve wijze getoetst hebben.
De deductieve oefening
Als Durkheim zijn theorie klopt dan verwachten we in samenlevingen waar de regulering
wegvalt, hoge zelfdoding cijfers te observeren.
- Cijfers van de WHO tonen de hoogste cijfers ter wereld in de Post Sovjet landen.
- Niet altijd zo geweest: vanaf 1990 (wanneer de Sovjet-Unie in elkaar stort) plotse
toename in het aantal zelfdodingen.
- Deze gebeurtenis zorgde ervoor dat het sterk regulerende karakter van het
communisme wegviel voor veel mensen.
Net zoals Durkheim zijn theorie voorspelt, leidde dit tot een piek in het aantal
anomische zelfdodingen.
, Voorbeeld van Le Suicide illustreert de volledige empirische cyclus:
Onderzoekers observeren en stellen op inductieve wijze theorieën op. Uit deze
theorieën wordt dan via deductie een hypothese afgeleid. Die hypothese wordt
getoetst aan nieuw empirisch materiaal.
Wanneer de theorie er niet in slaagt om de nieuwe observaties te verklaren, dan
moet de theorie worden bijgesteld waarna ze opnieuw kan worden getoetst en zo
maalt de empirisch cyclus verder.
= repliceren
Voorbeeld Ignaz Semmelweis (kraamvrouwenkoorts):
herhaaldelijk doorlopen van de empirische cyclus, waarbij theoretische inzichten
getoetst worden aan waarneembare feiten.
Vanuit ideeën en inzichten die groeiden uit de observatie van de patiënten in de
kraamkliniek, distilleerde Semmelweis hypotheses die hij dan toetste en evalueerde op
hun validiteit.
Kraamvrouwenkoorts was te wijten aan besmetting met lijkenmateriaal
Oplossing: handen wassen.
Evaluatiecriteria voor wetenschappelijke kennis
Twee criteria om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen: geldigheid en
betrouwbaarheid
hebben te maken met de afwezigheid van fouten (2 verschillen van fouten)
Geldigheid
= afwezigheid van systematische fouten (bias)
een conclusie is ongeldig als er een systematische fout inzit
Onderzoek = een effect van concept A op concept B
1. Theorie
2. Observatie (empirie)
doel van het onderzoek: bevindingen (van de observatie) te veralgemenen naar een
ruimere context of populatie, die ruimer is dan bij het onderzoek zelf.
Verschillende vormen van geldigheid:
- Meetgeldigheid: de vraag of de theoretische concepten goed gemeten zijn.
Is wat we observeren wel een goede indicator om iets te zeggen over de
concepten in de theorie?
- Externe geldigheid: de vraag of de resultaten van het onderzoek toepasbaar zijn
op een ruimere context.
Zijn onze observaties representatief voor een ruimere populatie?
Empirische of statische veralgemeningen: de generalisering
van bevindingen op basis van een beperkte steekproef naar de
ganse populatie waaruit de steekproef getrokken is.
Theoretische veralgemeningen: de toepassing van conclusies bij
populaties op een ander tijdstip, op een verschillende plaats, onder
, gewijzigde omstandigheden, of voor andere, maar gerelateerde
fenomenen.
- Interne geldigheid: de vraag of de relatie tussen concepten binnen het
onderzoek op een correcte wijze wordt voorgesteld.
Kunnen we wel degelijk besluiten dat concept A een invloed heeft op
concept B?
Of verloopt de causaliteit misschien in de omgekeerde richting?
Vaststellen van causaliteit speelt hierin een belangrijke rol:
Monocausale verklaringen: zo goed als onbestaand in de sociale
wetenschappen
Drie cruciale voorwaarden van een oorzakelijke relatie tussen twee
fenomenen:
o Covariatie of samenhang
o Duidelijke tijdsorde
o Veranderingen in fenomeen B kunnen niet verklaard worden
door andere factoren dan A
Zo ja, schijnverband
Complexe of samengestelde oorzaken
Betrouwbaarheid
= afwezigheid van toevallige fouten (error) minder erg dan systematische fouten
Toevalsfouten hebben de neiging elkaar te neutraliseren over- en onderschattingen
compenseren elkaar.
Systematisch ↔ toevallig:
- Toevallige fouten vertonen geen regelmatig patroon.
- Systematische fouten wijzen consistent in dezelfde richting.
Voorbeeld schietschijf
Onderzoeksvoorbeeld: peilingen Amerikaanse verkiezingen
Systematische fout: het overgrote deel van de peilingen heeft het
verkiezingsresultaat beduidend onderschat onbetrouwbaar
Ongeldigheid: Trump won de verkiezingen.
Vakmanschap als kwaliteitscriteria? peer review
, Soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
Er zijn verschillende soorten onderzoek die je kunt onderscheiden op basis van twee
criteria: toepassingsgebied en onderzoeksmethodologie.
Toepassingsgebied
Theoriegericht onderzoek:
= fundamenteel onderzoek
- Soms is het wetenschappelijke kennis een doel van het onderzoek op zich
kennisproductie
- Het onderzoek probeert de wereld beter te begrijpen en zo aan theorievorming te
doen
- Doelpubliek: andere wetenschappers
Praktijkgericht onderzoek:
- Kennis wordt gebruikt als middel voor het oplossen van een praktisch probleem
- Een actueel maatschappelijk probleem wordt aangepakt met de hulp van
wetenschap
- Typisch: in opdracht van de overheid of organisaties
- Twee types praktijkonderzoek: evaluatie- en actieonderzoek
- Evaluatieonderzoek: praktijkgericht onderzoek dat de implementatie,
effectiviteit en efficiëntie van interventies onderzoekt
Organisaties en overheden voeren allerhande maatregelen uit om de
sociale condities te verbeteren = sociale interventies
Evaluatieonderzoek probeert door de toepassing van wetenschappelijk
methode na te gaan of interventies ook het beoogde effect hebben, met de
focus op de implementatie, effectiviteit & efficiëntie ervan.
Cyclus van 7 stappen
De cyclus van evaluatieonderzoek
1. Probleem: startpunt is een praktijkprobleem dat
opgelost moet worden.
2. Diagnose: diagnose wordt opgesteld die een grondige
analyse van het probleem inhoudt.
3. Plan: beleidsmakers plannen een interventie om het
probleem op te lossen.
4. Implementatie: het plan wordt tot uitvoering
gebracht.
5. Procesevaluatie: is het proces goed verlopen?
6. Productevaluatie: is het gewenste effect bereikt?
7. Efficiëntie-evaluatie: staat het resultaat in verhouding
tot de kostprijs?
Voorbeeld van evaluatieonderzoek: Sesamstraat
1. Sociale interventie: kinderen uit bepaalde milieus kwamen met een
leerachterstand naar school. ongelijkheid in onderwijs aanpakken
2. Diagnose: kinderen krijgen te weinig prikkels om thuis te leren.
3. Plan: beleidsmakers maken gebruik van de verslavende effecten van tv om de
kinderen te stimuleren. Sesamstraat
4. Implementatie: uitzending van Sesamstraat
5. Evaluatie: het onderzoek legt bijvoorbeeld bloot dat het kijken naar Sesamstraat
enkel een effect heeft als de ouders actief betrokken zijn bij het kijken.
- Actieonderzoek: kennis geeft macht
Wie mensen in moeilijks sociale condities vooruit wil helpen, moet die
mensen kennis geven om iets aan die situatie te kunnen veranderen.
Kennis die onder de deelnemers verspreidt kan worden.
Geen strikte grens tussen onderzoeker en deelnemer