1. Visie op zorg
1.1. Historiek
• Handicap
o Kan op fysiek, zintuigelijk, mentaal en intellectueel vlak zijn
• Term voor mensen met een beperking
o Verandert doorheen de jaren Þ draagt een visie mee met hoe men kijkt
naar mensen met een beperking
o 90’s: mensen met een verstandelijke beperking
§ Þ Nadruk ligt op de mens in plaats van de handicap
§ Þ Opvlaging van geneeskunde, eerste stappen filosofie,
psychologie, …
o 21ste eeuw: mensen met mogelijkheden
§ Þ Nadruk ligt meer op wat de mensen wel kunnen in plaats van
wat mensen niet kunnen
• Termen in het onderwijs
o Leerlingen met leerproblemen
o Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften
1.1.1. Stoornis, beperking, handicap
• Stoornis
o = Iedere afwezigheid of afwijking van een psychologische,
fysiologische of anatomische structuur of functie
o Betreft functies van delen van het lichaam (cognitie, zintuigen, taal,
organen, ledematen
§ Betrekking bij functies van het lichaam
§ Classificatie van de stoornissen
• Beperking
o = Iedere vermindering of afwezigheid van de mogelijkheid tot een
voor de mens normale activiteit zowel wat betreft de wijze als de
reikwijdte van de uitvoering
o Het onvermogen om een activiteit normaal te verrichten
(communicatie, verzorging, lichaamsbeweging, vaardigheden, gedrag)
§ Betrekking op activiteiten van het individu
• Handicap
o = Een nadelige positie van een persoon als gevolg van een stoornis of
beperking, welke de normale rolvervulling van de betrokkene (gezien
leeftijd, geslacht en sociaal-culturele achtergrond) begrenst of
verhindert
§ Drukt de mate van nadeel in sociaal opzicht uit, die iemand als
gevolg van stoornissen en beperkingen ondervindt
o Een participatieprobleem (scholing, arbeid, sociaal leven,
vrijetijdsbesteding)
§
• Voorbeeld
o Stoornis (ASS), beperking (wat vloeit daaruit voort: je hebt moeite met
sociale situaties)
, 1.1.2. Diversiteits- vs deficitdenken
• Deficitdenken
o Þ Diversiteit = problematisch / afwijken van de norm à denken in
termen van tekorten, beperkingen, afwijkingen
o Beeld van het kind
§ Uitzondering en storend
• Kind moet zich zoveel mogelijk aanpassen
§ Nadruk op beperkingen en tekortkomingen
• Moeten zoveel mogelijk gereduceerd worden
• Kind wordt gereduceerd tot zijn beperking
§ (Leer)behoeften en noden worden aangepakt door specialisten
• Diversiteitsdenken
o Þ diversiteit = meerwaarde / gaat uit van de diversiteit van de
samenleving
§ Het recht om erbij te horen
§ Welke aanpassingen zijn wenselijk in het belang van het kind
o Voorbeeld: Elke klas is een groep dat bestaat door individuen met elk
hun sterktes en talenten
§ Onderwijs wordt aangepast aan de (leer)behoeften
o Beeld van het kind
§ Identiteit =/= beperking
• Minder gericht op het probleem
§ Het kind staat op de eerste plaats
§ De beperking is een aspect die de eigenheid van het kind
bepaald
• Elk kind mag er zijn met zijn mogelijkheden en
beperkingen