Les 2 (23/2/2018)
Cashflow
De cashflow is de cashinflow min de cashoutflow. Al het geld wat binnenkomt min alles wat
weer buiten gaat.
Cashflow = Winst + Afschrijvingen (+ Provisies (voorzieningen voor grote werken))
Afschrijvingen zitten in de cashflow omdat het kosten zijn, maar geen uitgaven. Gezien het
kosten zijn doen ze de winst verminderen, maar het zijn geen uitgaven dus zitten ze wel in
de cashflow.
Een aflossing is een terugbetaling van een krediet en doet bijgevolg het vreemd vermogen
op lange termijn dalen. Aflossingen zijn geen kost, maar wel een uitgave.
De kosten die geen uitgaven zijn dienen om de uitgaven die geen kosten zijn te
compenseren.
Vb. Winst 50, Afschrijvingen van 100. Dus cashflow 150. Jaarlijks kunnen er dus 150
aflossingen gebeuren.
De cashflow is de terugbetalingscapaciteit van een bedrijf. Bij het toekennen van een krediet
aan een bedrijf is het enige criterium de cashflow. In financieel management wordt niet
gekeken naar de winst of verlies. Een verlieslatend bedrijf met positieve cashflow kan nog
steeds zijn kredieten afbetalen. Een negatieve cashflow is een cashdrain en zal er voor
zorgen dat je geen bankkrediet kan bekomen.
Normen
Eigen vermogen / Balanstotaal: ⅓
Bedrijfskapitaal: Acid test
Cashflow: 8% - 10%
Alarmpeilen
Eigen vermogen / Balanstotaal: 15%
Bedrijfskapitaal: 10% balanstotaal
Cashflow: 6%
Meerdere alarmpeilen wil zeggen dat je bedrijf in slechte papieren zit. Deze alarmpeilen zijn
onderdeel van een falingspredictie. Bij 3 alarmpeilen staat het bedrijf voor een faillissement.
1
, Falingspredictiemodellen
● Rentabiliteit en liquiditeit
● Alarmpeilen
● Methode van Altman: empirische formule waarmee een z score berekend wordt.
● Model van de nationale bank: variatie op de methode van Altman.
Examen: alarmpeilen
Financieel plan
Het financieel plan is een plan waarbij je aantoont dat je over voldoende financiële middelen
beschikt ten opzichte van de behoeften.
Vb. p. 63 Lakatos.
De behoeften voor de behoeften van de investering en de bedrijfscyclus: 10,468 miljoen. Het
resultaat is niets waard want het is een bedrijf dat net failliet ging. Afschrijvingen zijn een
middel want het zijn kosten, maar geen uitgaven. Leveranciers gaan geen krediet willen
toestaan aan een bedrijf dat failliet ging en zullen dus contante betaling eisen.
Resultaat en leveranciers zetten we op 0. Daaruit blijkt dat een krediet van 4 miljoen niet
voldoende is om het financieel plan rond te krijgen.
Bij een BVBA ben je enkel verantwoordelijk voor je eigen inbreng. Maar tijdens de eerste
drie jaar ben je wel verantwoordelijk voor je financieel plan. Als je financieel plan geen steek
houdt kan dit gebruikt worden om de beperkte aansprakelijke ongedaan te maken.
Dit kan je vermijden via een slapende vennootschap. Dit is een vennootschap zonder
activiteiten maar nog niet geliquideerd werd. Hiermee kan je de eerste drie jaar
aansprakelijkheid voor het financieel plan ontwijken. Wel opletten dat er geen schuldeisers
meer zijn.
Voorbeeldexamenvragen
Deze vragen werden vorig jaar gesteld in 2e zit.
Bij een rendabel bedrijf zal de solvabiliteit (EV/BT) afnemen als
A) De payout lager is dan 1.
B) De cashflow kleiner is dan de LT schulden die binnen het jaar vervallen
C) Het eigen vermogen trager groeit dan het balanstotaal
D) Geen van voorgestelde antwoorden is juist.
Uit A) en B) kan je niets afleiden over het balanstotaal
2