Ademhaling
Functies van het ademhalingsstelsel
1. uitwisseling ademhalingsgassen
2. homeostatische regulatie
- ademhalingsgassen
- pH
- water
3. bescherming tegen pathogenen en irriterende stoffen
4. vocalisatie ⇒ gassen gaan langs de stembanden
Onderdeel 1 geleiding
Je kan de ademhaling opdelen in drie onderdelen. Ten eerste heb je de geleiding of de
longventilatie van lucht:
→ neusholte
→ keelholte (farynx)
→ strottenhoofd (larynx)
→ luchtpijp (trachea)
→ luchtpijptakken (bronchiën en grote bronchiolen)
De luchtpijp is omringd door kraakbeen ringen. Dit ondersteunt
de grotere luchtwegen en voorkomt het dichtklappen v/d
longen. Ook de binnenkant is bekleedt met trilhaarepitheel &
slijmvlies voor bescherming tegen indringers.
Deze binnenkant bestaat uit verschillende
delen:
- Gobletcellen
→ secretie van mucus laag
- columnar epitheelcellen
→ secretie: waterige saline laag
- cilia
OPM: Sigarettenrook beschadigt
trilhaarepitheel en verhoogt de
mucusproductie → cilia gaat niet meer goed
werken en zal indringers niet goed meer
tegenhouden. Ook de mucusproductie neemt toe waardoor een roker meer moet hoesten.
In dit gedeelte is er de fysieke verplaatsing van lucht in & uit de luchtwegen. Het is een
anatomische dode ruimte, want het geleid enkel de lucht. Hierbij blijft blijft 30% van de
gassen steken en kunnen niet naar het volgende gedeelte. Dit deel zorgt ook voor het
opwarmen, bevochtigen & zuiveren van ingeademde lucht.
Het kan ook fysiologische dode ruimtes hebben. Dit noemt men “verspilde ventilatie” t.h.v.
het gedeelte voor gasuitwisseling waarbij O2 naar longblaasjes wordt gedaan waar geen
doorbloeding is.
, - Tidal volume = volume zuurstof dat je
in rust neemt (450-600ml)
- Totale longcapaciteit = totaal volume
zuurstof dat in de longen kan (6L)
- Inspiratoir reservevolume = extra
zuurstofvolume dat kan gebruikt worden
(3 L)
- Expiratoir reservevolume = extra
zuurstofvolume dat kan uitgeademend
worden (1L)
- Vitale capaciteit = grootst mogelijk
ademvolume (4,5L)
- Residuvolume = extra volume dat niet
uit de longen kan (1,5L)
- Inspiratoire capaciteit = volume dat je kan inademen in een rustpositie (3,5L)
- Functionele residucapaciteit = volume dat nog in de longen zit na het uitademen in
rustpositie (2,5L)
⇒ in rustpositie: druk binnen en buiten de long is gelijk.
Inademing = actief
longen hangen vast aan borstholte en middenrif door de pleura en het pleuravocht
⇒ als borstvolume vergroot, zal ook longvolume groter worden
● borstademhaling
○ door samentrekking v/d tussenribspieren
○ te vgl. met pompbeweging + opheffen handvat van emmer
● buikademhaling
○ door samentrekking v/d spieren van het middenrif (niet de buikspieren!!)
○ hierdoor wordt middenrif afgeplat
⇒ volume v/d longen groter → druk in longen daalt → verse lucht stroomt longen binnen
Uitademing = passief en/of actief
tussenribspieren en spieren van middenrif ontspannen
→ volume v/d borstkas daalt → druk in longen stijgt → lucht stroomt longen uit
- bij rustige ademhaling ⇒ inademing = actief EN uitademing = passief
- bij geforceerde ademhaling ⇒ zowel in- als uitademing verlopen actief (expiratoire
lucht er ook proberen uit te ademen)
Opmerking: uitgeademde lucht:
- warmer en vochtiger dan ingeademde lucht ⇒ dit gebeurt in het gedeelte van de
geleiding
- minder O2, meer CO2 en waterdamp ⇒ O2 wordt opgenomen en CO2 wordt
gemaakt
Functies van het ademhalingsstelsel
1. uitwisseling ademhalingsgassen
2. homeostatische regulatie
- ademhalingsgassen
- pH
- water
3. bescherming tegen pathogenen en irriterende stoffen
4. vocalisatie ⇒ gassen gaan langs de stembanden
Onderdeel 1 geleiding
Je kan de ademhaling opdelen in drie onderdelen. Ten eerste heb je de geleiding of de
longventilatie van lucht:
→ neusholte
→ keelholte (farynx)
→ strottenhoofd (larynx)
→ luchtpijp (trachea)
→ luchtpijptakken (bronchiën en grote bronchiolen)
De luchtpijp is omringd door kraakbeen ringen. Dit ondersteunt
de grotere luchtwegen en voorkomt het dichtklappen v/d
longen. Ook de binnenkant is bekleedt met trilhaarepitheel &
slijmvlies voor bescherming tegen indringers.
Deze binnenkant bestaat uit verschillende
delen:
- Gobletcellen
→ secretie van mucus laag
- columnar epitheelcellen
→ secretie: waterige saline laag
- cilia
OPM: Sigarettenrook beschadigt
trilhaarepitheel en verhoogt de
mucusproductie → cilia gaat niet meer goed
werken en zal indringers niet goed meer
tegenhouden. Ook de mucusproductie neemt toe waardoor een roker meer moet hoesten.
In dit gedeelte is er de fysieke verplaatsing van lucht in & uit de luchtwegen. Het is een
anatomische dode ruimte, want het geleid enkel de lucht. Hierbij blijft blijft 30% van de
gassen steken en kunnen niet naar het volgende gedeelte. Dit deel zorgt ook voor het
opwarmen, bevochtigen & zuiveren van ingeademde lucht.
Het kan ook fysiologische dode ruimtes hebben. Dit noemt men “verspilde ventilatie” t.h.v.
het gedeelte voor gasuitwisseling waarbij O2 naar longblaasjes wordt gedaan waar geen
doorbloeding is.
, - Tidal volume = volume zuurstof dat je
in rust neemt (450-600ml)
- Totale longcapaciteit = totaal volume
zuurstof dat in de longen kan (6L)
- Inspiratoir reservevolume = extra
zuurstofvolume dat kan gebruikt worden
(3 L)
- Expiratoir reservevolume = extra
zuurstofvolume dat kan uitgeademend
worden (1L)
- Vitale capaciteit = grootst mogelijk
ademvolume (4,5L)
- Residuvolume = extra volume dat niet
uit de longen kan (1,5L)
- Inspiratoire capaciteit = volume dat je kan inademen in een rustpositie (3,5L)
- Functionele residucapaciteit = volume dat nog in de longen zit na het uitademen in
rustpositie (2,5L)
⇒ in rustpositie: druk binnen en buiten de long is gelijk.
Inademing = actief
longen hangen vast aan borstholte en middenrif door de pleura en het pleuravocht
⇒ als borstvolume vergroot, zal ook longvolume groter worden
● borstademhaling
○ door samentrekking v/d tussenribspieren
○ te vgl. met pompbeweging + opheffen handvat van emmer
● buikademhaling
○ door samentrekking v/d spieren van het middenrif (niet de buikspieren!!)
○ hierdoor wordt middenrif afgeplat
⇒ volume v/d longen groter → druk in longen daalt → verse lucht stroomt longen binnen
Uitademing = passief en/of actief
tussenribspieren en spieren van middenrif ontspannen
→ volume v/d borstkas daalt → druk in longen stijgt → lucht stroomt longen uit
- bij rustige ademhaling ⇒ inademing = actief EN uitademing = passief
- bij geforceerde ademhaling ⇒ zowel in- als uitademing verlopen actief (expiratoire
lucht er ook proberen uit te ademen)
Opmerking: uitgeademde lucht:
- warmer en vochtiger dan ingeademde lucht ⇒ dit gebeurt in het gedeelte van de
geleiding
- minder O2, meer CO2 en waterdamp ⇒ O2 wordt opgenomen en CO2 wordt
gemaakt