100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Microbiële Fysiologie

Rating
-
Sold
3
Pages
38
Uploaded on
10-01-2018
Written in
2017/2018

Samenvatting van H3, H5 (klein gedeelte), H12, H13, H22, H23, H24 en H25. Veelal in het Nederlands geschreven, soms zitten er engelse woorden/zinnen tussen.

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
H3, h5, h12, h13, h22, h23, h24, h25
Uploaded on
January 10, 2018
Number of pages
38
Written in
2017/2018
Type
Summary

Subjects

Content preview

Samenvatting Microbiële Fysiologie


Hoofdstuk 3 – Cell structure and function

Processen van het leven:
• Groei: levende dingen groeien in grootte
• Vermenigvuldiging: Vergroten in aantal, produceren meer organismen
• Reactievermogen: reageren op omgeving, veranderen zichzelf
• Metabolisme: voedingsstoffen opnemen, gebruiken voor chemische reacties in cel
(voor energie en groei), reproductie. Opslag energie in ATP.

Verschil met virussen:
- Virussen groeien niet
- Host cells replicate virus
- Reactie to host cell seen in some virusses
- Virus use host cell’s metabolism
- Virus lack cytoplasmic membrane or cellular structure

Prokaryoot
- Bacteriën en archaea
- Read their DNA genetic code and make proteins
- Heeft geen membraan om DNA heen zitten
- Heeft geen celkern
- Ongeveer 1 micrometer of kleiner
- Simpele structuur (Vb. E.coli)

Eukaryoot
- Heeft membraan om het DNA (= nuclear envelop)  vormt nucleus/kern!
- Hebben organellen (in intern membraan), zoals Golgi-apparaat.
- Large and more complex than prokaryoot
- 10-100 micrometer in diameter
o Vb: Cellen van algae, protozoa, fungi, animals and plants

Bacteriële celwand (prokaryoten):
- Zorgt voor structuur en vorm aan cel
o Beschermt tegen osmotische druk
- Is target voor veel antibiotica maar speelt ook een rol in antibiotica resistentie
- Cel wanden bestaan uit peptidoglycan (= complex polysacharide)

Peptidoglycan bestaat uit afwisselende suikers: (figuur 3.14, blz. 94)
▪ N-acetylglucosamine (NAG)
▪ N-acetylmuramic acid (NAM)

Miljoenen NAG en NAM moleculen zijn gebonden in ketens (= glycan portions of
peptidoglycaan). Ketens van NAG en NAM zijn aan elkaar verbonden met andere NAG en
NAM ketens door kruisbruggen van 4 aminozuren (tetrapeptides) tussen alléén de NAM
units. Peptidoglycan bevindt zich over het gehele oppervlakte van de cel. Onder deze
laag met peptidoglycan zit het cytoplastic membrane.

,Twee typen bacteriële celwanden:
▪ Gram-positieve
▪ Gram-negatieve

Figuur 3.20, blz. 100
Isotonic solution: geen netto verschil van water.
Hypertonic solution: cellen krimpen; water gaat uit de cel.
Hypotonic solution: cellen (dierlijke cellen) krijgen water binnen; cellen barsten
open, omdat ze geen celwand hebben.

Meeste cellen zijn hypertonic tegenover hun omgeving.

Celwand: de druk van water binnen in de cel/celwand stopt uiteindelijk de beweging
van water in de cel.

Gram-positieve celwand:
- Figuur 3.15, blz. 95
- Relatief dikke laag peptidoglycan
- Laag bevat unieke polyalcohol genaamd: (lipo)teichoine zuur.
o (lipo)teichoine zuur zorgt voor een meer rigide celwand en speelt een rol
bij de celgroei.
- De peptidoglycanlaag heeft ook interbridges bij de suikerverbindingen.
- Paargekleurd na gramkleuring  Gram-Positief.

Gram-negatieve celwand:
- Figuur 3.15, blz. 95
- Dunne laag peptidoglycan, over het cytoplastic membrane.
- Over de dunne laag peptidoglycan is nog een membraan: het is een bi-layer.

▪ Cytoplasmic membrane = meest binnenste laag en bestaat uit fosfolipiden en
eiwitten.
▪ Daarna volgt de peptidoglycan laag = middelste laag.
▪ De meest buitenste laag is het “outer membrane” en bevat lipopolysacchariden
(LPS), eiwitten en poriën waar bijvoorbeeld glucose moleculen door
getransporteerd kunnen worden.

- Ruimte tussen de celmembranen en de laag peptidoglycan = periplasmatische ruimte.
- Het Lipide A (onderdeel van LPS) kan koorts, ontstekingsreacties, shock, en
bloedstolling veroorzaken.
- Roze gekleurd na gramkleuring  Gram-Negatief.

Bacterie zonder celwand:
- Paar bacteriesoorten (zoals mycoplasma) hebben geen celwand
- Worden vaak verwisseld met virus, omdat ze klein zijn en geen celwand hebben.
- Hebben wel andere prokaryote eigenschappen, zoals ribosomen.
- Deze bacteriesoorten hebben dus alleen een cytoplasmic membrane.

Structuur cytoplasmic membrane (figuur 3.16, blz. 97)
- Cytoplasmic membrane: ook wel fosfolipide dubbel laag genoemd.
o Head = hydrofiel (bevat ook fosfaat)
o Staart = hydrofood

, - Bestaat uit lipiden en daarmee verbonden eiwitten
o Integrale eiwitten (zitten in de dubbele laag)
o Perifere eiwitten (zitten losjes aan het membraan vast)

Functie cytoplasmic membrane
- Energie opslag in vorm van ATP
- Scheidt stoffen van de “buiten” omgeving.
- Controleert de stroom van stoffen in en uit de cel (afvalstoffen worden
verwijderd)
- Semi-permeabel (selective permeabel): laat sommige stoffen binnenkomen in de
cel, terwijl andere stoffen tegengehouden worden.
- Van nature ondoordringbaar voor meeste stoffen.
- De eiwitten in het membraan faciliteren stoffen door het membraan:
o Functioneren als kanalen, poriën of dragers
- Zorgt voor handhaving van concentratie en elektrische gradiënt.
o Meer negatief in de cel (namelijk Cl-)
o Meer positief buiten de cel (namelijk Na+)

Passieve processen
Elektrochemical gradiënts provide energy to move substances accross the membrane.
Cel gebruikt geen ATP. Drie soorten: (figuur 3.18, blz. 99).
- Diffusie
- Gefaciliteerde diffusie
- Osmose

Diffusie
= de netto beweging van een chemische stof tegen zijn concentratiegradiënt. Dat is van
een hogere concentratie naar een lagere concentratie.
- Geen ATP bij nodig!
- Alleen kleine of vet oplosbare stoffen kunnen door het membraan bewegen.
o Voorbeelden van stoffen: O2, CO2, alcohol en vetzuren.

Gefaciliteerde diffusie
Sommige eiwitten in het cytoplasmic membrane dienen als kanalen of dragers om
bepaalde moleculen te transporteren in of uit de cel tegen hun concentratiegradiënt.
 Elektrochemical gradiënts provide energy!
Voorbeelden van stoffen: Glucose, fructose, urea en aantal vitaminen.

Another channel: Permeases.
Deze is meer specifiek. Draagt alleen bepaalde stoffen door.

Osmose
= diffusie van water door een semi-permeabel membraan.
Water beweegt over het membraan tot het evenwicht is bereikt of totdat de druk van
water gelijk is aan de kracht van osmose.

Actieve processen
- Actief transport
- Groepstranslocatie

Actief transport (Figuur 3,21, blz. 101)
- Gebruikt transmembrane permease proteins, zoals kanalen of eiwitdragers.
- Vereist ATP te besteden om moleculen te transporteren.

, - Kanalen gaan open wanneer de cel bepaalde stoffen nodig heeft, kanalen gaan
weer dicht als de cel voldoende aan bepaalde stoffen heeft.

Soorten actief transport:
- Uniport: er wordt 1 stof per keer getransporteerd.
- Antiport: er worden 2 stoffen per keer in tegenovergestelde richting
getransporteerd.
- Coupled transport  uniport en symport.
Symport: er worden 2 stoffen per keer in dezelfde richting
getransporteerd.

In alle gevallen: de beweging van stoffen gaan tegen hun concentratiegradiënt.
Transport eiwitten fungeren als ATPase: een enzym dat ATP afbreekt in ADP tijdens het
transport en geeft op deze manier energie vrij aan de omgeving (dat gebruikt werd).
Actief transport wordt ook wel ABC-transport genoemd.
Voorbeelden van stoffen: Na+, K+, Ca2+, H+, Cl-.

Groepstranslocatie (figuur 3.22, blz. 101)
De stof dat getransporteerd wordt, is chemisch gemodificeerd tijdens het transport.

- Het membraan is ondoordringbaar voor de gewijzigde stof.
- Groepstranslocatie is effectief met het binnen brengen van stoffen in de cel.
- Voorbeelden van stoffen: Glucose, mannose, fructose.

VB. Glucose in cel brengen via groepstranslocatie:
Glucose wordt gefosforyleerd (er wordt een fosfaat groep toegevoegd)  Glucose is nu
G6fosfaat.

Externe structuren van bacterie

Glycocalyx:
- Gelatine achtige plakkerige substantie dat om het buitenmembraan zit.
- Bestaat uit of polysacchariden, of uit polypeptiden, of uit beiden.

Twee typen glycocalyxes: (Figuur 3.5, blz. 89)
▪ Capsule
o Bescherming van fagocytose
o Bestaat uit zich herhalende organische stoffen
o Zit stevig aan cel oppervlak
o Kan detectie door immuunsysteem voorkomen.
▪ Slijmlaag
o Losjes bevestigd aan oppervlak
o Water oplosbaar
o Plakkerige laag zorgt ervoor dat prokaryoten blijven plakken aan
oppervlakken (bio-film).

Flagellen
- Zijn verantwoordelijk voor beweging
- Niet alle bacteriën hebben flagellen

Structuur:
- Zijn lange structuren die zich uitstrekken boven het oppervlak
- Bestaan uit een filament, een haak, en een basaal lichaam.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
cvwijngaarden Hanzehogeschool Groningen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
46
Member since
11 year
Number of followers
41
Documents
1
Last sold
3 year ago

4.4

5 reviews

5
3
4
1
3
1
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions