HC 9 MEMBRANEN EN TRANSPORT
Binnen de cel bevinden zich veel membranen
STRUCTUUR EN FUNCTIE
Opgebouwd uit:
- Lipiden
Kop en staart
Amfipatische lipiden: hydrofiel
en hydrofoob deel
Fosfolipiden: hydrofiele kop,
hydrofoob deel uit vetzuren
- eiwitten
door structuur van lipiden constructie: koppen naar buiten, staarten naar
binnen. Lipiden kunnen bewegen. Flip-flops komen zelden voor (enzymen
nodig)
stevigheid cholesterol tussen lipiden
(20% van het membraan)
vloeibaarheid membraan = belangrijk
voor vesiculair transport en de werking
van eiwitten (vormverandering
receptoren etc.)
TRANSPORT OVER MEMBRANEN
Transport soorten:
- Passieve diffusie
Spontaan
Kleine hydrofobe moleculen
(O2, CO2, N2)
Kleine ongeladen moleculen
(H2O, glycerol, ethanol, ureum)
- Passief gefaciliteerde diffusie
Iets grotere ongeladen moleculen
Hulp van transport eiwitten
Ionkanalen: open door bepaalde signalen
Ionen volgen concentratiegradiënt en spanning =
electrochemische gradiënt
Spanningsgradiënt: lading van het membraan
, - Actief transport
Bewegen van
moleculen tegen de
concentratiegradiënt
in
Energie nodig: ATP
Ook mogelijk: co-
transport met ander
ion
- Bulk transport
Ion-concentratie binnen vs buiten de cel verschilt. De netto lading moet wel
hetzelfde blijven om osmose te
voorkomen.
Voorbeeld: glucose in de darmwand
- Opname via passieve diffusie
vindt niet plaats
- Gaat via een co-transport met
Na+ (vorm actief transport)
- Doormiddel van een transporter
wordt glucose aan het bloed
afgegeven
- Voor instandhouding
spanningsgradiënt voor Na+
natriumkalium-pomp
Voor 3 Na+ komen 2 K+ terug
ATP nodig
Draagt hiermee bij aan
het membraanpotentiaal
Natriumkalium pomp en K+ lek
kanalen zorgen samen voor het
membraan potentiaal
Binnen de cel bevinden zich veel membranen
STRUCTUUR EN FUNCTIE
Opgebouwd uit:
- Lipiden
Kop en staart
Amfipatische lipiden: hydrofiel
en hydrofoob deel
Fosfolipiden: hydrofiele kop,
hydrofoob deel uit vetzuren
- eiwitten
door structuur van lipiden constructie: koppen naar buiten, staarten naar
binnen. Lipiden kunnen bewegen. Flip-flops komen zelden voor (enzymen
nodig)
stevigheid cholesterol tussen lipiden
(20% van het membraan)
vloeibaarheid membraan = belangrijk
voor vesiculair transport en de werking
van eiwitten (vormverandering
receptoren etc.)
TRANSPORT OVER MEMBRANEN
Transport soorten:
- Passieve diffusie
Spontaan
Kleine hydrofobe moleculen
(O2, CO2, N2)
Kleine ongeladen moleculen
(H2O, glycerol, ethanol, ureum)
- Passief gefaciliteerde diffusie
Iets grotere ongeladen moleculen
Hulp van transport eiwitten
Ionkanalen: open door bepaalde signalen
Ionen volgen concentratiegradiënt en spanning =
electrochemische gradiënt
Spanningsgradiënt: lading van het membraan
, - Actief transport
Bewegen van
moleculen tegen de
concentratiegradiënt
in
Energie nodig: ATP
Ook mogelijk: co-
transport met ander
ion
- Bulk transport
Ion-concentratie binnen vs buiten de cel verschilt. De netto lading moet wel
hetzelfde blijven om osmose te
voorkomen.
Voorbeeld: glucose in de darmwand
- Opname via passieve diffusie
vindt niet plaats
- Gaat via een co-transport met
Na+ (vorm actief transport)
- Doormiddel van een transporter
wordt glucose aan het bloed
afgegeven
- Voor instandhouding
spanningsgradiënt voor Na+
natriumkalium-pomp
Voor 3 Na+ komen 2 K+ terug
ATP nodig
Draagt hiermee bij aan
het membraanpotentiaal
Natriumkalium pomp en K+ lek
kanalen zorgen samen voor het
membraan potentiaal