,Samenvatting inleiding tot de micro-
economie
Hoofdstuk 3: The market forces of supply and demand
Markt = verzameling van alle kopers & verkopers van bepaalde producten.
De kopers & verkopers hoeven elkaar niet persé fysiek te ontmoeten.
Volmaakte concurrentie:
• Veel vragers & veel aanbieders
• Perfecte informatie (alle mensen weten alles)
• Vragers & aanbieders zijn prijsnemers
• Homogene goederen
• Vragers & aanbieders handelen onafhankelijk
• Vragers & aanbieders nemen alle kosten en baten in aanmerking
• Bv graanproducten
Bij volmaakte concurrentie wordt de prijs bepaald door het spel van vraag en aanbod = prijsnemers.
Een monopolie bepaalt zelf de prijs = prijszetter.
Hogere prijs heeft 2 effecten:
1) Inkomenseffect: Koopkracht daalt q daalt
2) Substitutie-effect: Goed wordt minder aantrekkelijk in vgl met alternatieven q daalt
Wet van de vraag: de gevraagde hoeveelheid daalt als de prijs stijgt!
De vraag kan afhangen van verschillende factoren:
• Prijzen van andere goederen
• Inkomen
• Voorkeuren / smaken
• Reclame
• Verwachtingen
• Niveau & structuur bevolking
• …
Verandering in prijs verschuiving LANGS de vraagcurve.
Verandering in andere determinanten van de vraag verschuiving VAN de vraagcurve.
Eigenlijke vraagfunctie: Q = f(p) Inverse vraagfunctie: P = f(Q)
2
,Soorten goederen:
Complementgoederen:
• Goederen die elkaar aanvullen, bv: koffie & suiker.
• Als de prijs van koffie stijgt zal de vraag naar koffie EN van suiker dalen.
Substitutiegoederen:
• Goederen die elkaar kunnen vervangen, bv: koffie & thee.
• Als de prijs van koffie stijgt daalt de vraag van koffie en stijgt de vraag van thee.
Normale goederen:
• Goederen waarvan de vraag stijgt naarmate het inkomen stijgt, bv: appels.
Inferieure goederen:
• Goederen waarvan de vraag daalt naarmate het inkomen stijgt, bv: 2e hands kledij.
Giffengoederen:
• Goederen waarvan de vraagt stijgt naarmate de prijs stijgt, bv: Rolls Royce auto
Wet van het aanbod:
De aangeboden hoeveelheid stijgt als de prijs stijgt (door bv. overproductie)
Het aanbod kan afhangen van verschillende factoren:
• Winstgevendheid andere te produceren goederen
• Technologie
• Natuurlijke schokken, sociale factoren
• Kosten productiefactoren
• Aantal aanbieders
• Verwachtingen …
Verandering in prijs verschuiving LANGS de aanbodcurve.
Verandering in andere determinanten van het aanbod verschuiving VAN de aanbodcurve.
Functie berekenen aan de hand van 2 gegeven punten:
P2−P1
P – P1 = 𝑄2−𝑄1 . (Q – Q1)
3
, Hoofdstuk 4: Elasticity and its applications
Elasticiteit meet de “gevoeligheid” van 1 variabele voor veranderingen in een andere variabele.
Prijselasticiteit van de vraag: hoe sterk de gevraagde hoeveelheid q verandert ten gevolge van een
wijziging in p.
Boogelasticiteit – midpoint methode: Puntelasticiteit:
𝑄2+𝑄1
(𝑄2−𝑄1)/[ ] 𝑑𝑄 𝑃
2
𝐸𝑞, 𝑝 = 𝑃2+𝑃1 𝐸𝑞, 𝑝 = .
𝑑𝑃 𝑄
(𝑃2−𝑃1)/[ ]
2
Opm: We kunnen alleen de elasticiteit bereken bij een gegeven EIGENLIJKE functie (geen inverse!)
Als je een inverse functie gegeven krijgt, moet je deze eerst nog omvormen.
Als de prijselasticiteit van de vraag bijvoorbeeld -2 is betekent dit dat de gevraagde hoeveelheid daalt
met 2% indien de prijs stijgt met 1%.
Als de prijs stijgt met 3% neemt de gevraagde hoeveelheid af met 6%.
Elastisch = gevoelig Inelastisch = ongevoelig Men blijft dit kopen ookal stijgt de prijs.
Voorbeelden elastische goederen:
• Magazine
• Luxejacht
• Fanta
• Luxegoederen
Voorbeelden inelastische goederen:
• Benzine
• Drank
• Brood
• Noodzakelijke goederen
Hoe vlakker, hoe elastischer.
Hoe steiler, hoe inelastischer.
4