1. De Russische Revolutie
Rusland werd sinds 1613 bestuurd door Tsaren (keizers) ‘Macht kwam van God’ De
Romanovs.
Veel mensen waren Boer en dus nauwelijks Industrie. Eind 19 e eeuw Industrie op gang.
Veel onvrede door barre omstandigheden bij boeren, socialisten (Karl Marx), liberalen en
bolsjewieken( Lenin).
Bolsjewieken Rusland communistisch maken.
1904-1905 Oorlog tegen Japan verloren. Bloedige Zondag: Ongewapende burgers
(demonstranten) doodgeschoten bij het Winterpaleis Tsaar Nicolaas II Doema:
volksvertegenwoordiging.
Arbeiders en soldaten in de hoofdstad Sint- Petersburg Sovjets Betere werkomstandigheden
en tijden.
Russische Revolutie ontstaan door de Eerste Wereldoorlog. 1914 Loopgraven oorlog
1915 Bewegingsoorlog. Rusland had te weinig materiaal zoals geweren, kogels etc.
Tsaar leidde de oorlog dit werd een ramp. 4 miljoen soldaten verloren. Boeren werden
opgeroepen voor de dienstplicht.
23 februari 1917 hongeroproer in St Petersburg. Vrouwen kwamen in opstand. Doema kwam
in verzet. Tsaar moest vertrekken 2 maart 1917. Februarirevolutie
De Doema (liberalen en socialisten) werden een Voorlopige Regering. Beloofde verkiezingen
en een nieuwe grondwet. Bolsjewieken wilde dit niet.
Lenin kwam uit Balingschap terug Aprilstellingen Vredesonderhandelingen met Duitsland en
grond herverdeling
Oktober 1917 namen de bolsjewieken de regering gevangen. Oktoberrevolutie
1918 Lenin sloot de vrede van Brest-Litovsk met Duitsland.
1918-1922 Burgeroorlog in Rusland. Rode leger (bolsjewieken) vochten tegen de Witten
(tsaar trouw bleven). De witten werden gesteund door een aantal Westerse landen. De
witten wilde de tsarenfamilie bevrijden. Deze werden door de bolsjewieken vermoord 1918.
Unie van Socialistische Sovjet-Republieken: Sovjet Unie USSR. Het land werd een
eenpartijstaat. Communisten alles was van de staat.
1x per jaar Partijcongres voor partijleden. Partijcongres koos Centraal Comité Benoemde
het secretariaat deze werd geleid door de secretaris generaal (Lenin) dagelijks
bestuur: Politiebureau. ( Secretaris generaal, president en minister president)
2. Een arbeidersparadijs
Lenin stierf in 1924. Leo Trotski (Rode leger) Stalin was zijn opvolger tot 1953 Secretaris-
Generaal.
Boeren kregen land te leen. Het was niet meer van hun (collectieve boerderijen)
Nationalisatie: De staat nam grond, fabrieken en machines in beslag. Boeren produceerde
alleen voedsel voor zichzelf dit hielden ze achter. Tsjeka werd opgericht: Commissie tegen
contrarevolutie en sabotage. (Geheime Politie)
1921 Hongersnood. Lenin kwam de burgers tegemoet. Hij voerde de NEP in Nieuwe
Economische Politiek. Boeren hoefden nog maar een klein deel aan de staat te leveren.
1928 voerde Stalin een planeconomie : de economie werd door de staat geregeld en gepland.
Vijfjarenplannen: hoeveel er per jaar geproduceerd moet worden gedurende 5 jaar. De zware
Industrie werd verbeterd, machines werden gekocht etc. Dit liep uit op een fiasco.