1. Op welke 3 gebieden richt de ontwikkelingspsychologie zich vooral?
a. Fysieke ontwikkeling, assertieve ontwikkeling, emotionele ontwikkeling
b. Fysieke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
c. Cognitieve ontwikkeling, geheugensystemen, sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
d. Fysieke ontwikkeling, intelligentie ontwikkeling, sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
2. Wanneer je in een cohort bent geboren:
a. Ben je geboren rond dezelfde tijd als een grote groep mensen over de hele wereld.
b. Heb je gebeurtenissen mee gemaakt die meer mensen hebben meegemaakt.
c. Ben je geboren rond dezelfde tijd als een grote groep mensen op dezelfde plek.
d. Behoor je tot een stamboom.
3. Welk perspectief gaat over de ontwikkeling waarbij men ervan uitgaat dat gedrag
gemotiveerd wordt door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten waarvan een
persoon zich nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle heeft?
a. Psychodynamisch perspectief
b. Psychoanalytisch perspectief
c. Psychosociaal perspectief
d. Psychoseksueel perspectief
4. Joey is erg lief voor zijn jongere zusje, hij wil graag een snoepje. Dit is een voorbeeld van:
a. Operante conditionering
b. Klassieke conditionering
c. Gedragsmodificatie
d. Accommodatie
5. Wat is het mesosysteem in het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner?
a. Dagelijkse, directe omgeving waarin kinderen leven. Hun thuis, ouders, vrienden en
leraren passen zijn onderdeel van dit systeem.
b. Algemene invloeden zoals: gemeenschap, scholen, kerken en plaatselijke media.
c. Maatschappij in het algemeen, culturele invloeden. Politiek, religieuze systemen en
andere brede, veelomvattende factoren zijn componenten van dit systeem
d. Zorgt voor connecties tussen de verschillende aspecten van het microsysteem. Het
benadrukt de directe en indirecte invloeden die ons met elkaar verbinden.
6. Wat is een chromosoom?
a. De nieuwe cel die wordt gevormd door het bevruchtingsproces.
b. Drager van een deel van het erfelijk materiaal van een organisme.
c. Substantie waaruit genen bestaan, die bepalend is voor de aard en de functie van elke
cel in het lichaam.
d. Basiseenheid van genetische informatie.
, 7. Hoe wordt het geslacht van een kind bepaalt?
a. Wanneer de vrouw een Y-chromosoom levert wordt het een jongentje.
b. Wanneer de man een Y-chromosoom levert wordt het een meisje.
c. Wanneer de man een Y-chromosoom levert wordt het een jongentje.
d. Wanneer de vrouw een Y-chromosoom levert wordt het een meisje.
8. Wat is polygenische overerving?
a. Combinatie van meerdere genenparen verantwoordelijk voor productie van een
specifieke eigenschap.
b. Combinatie van meerdere specifieke eigenschappen verantwoordelijke voor meerdere
genenparen.
c. Bepaling van eigenschappen door een combinatie van genetische factoren en
omgevingsfactoren.
d. Het verschil tussen nature en nurture.
9. Een stoornis die optreedt wanneer een bepaald gen op het X-chromosoom beschadigd is
geraakt. Het resultaat is een milde tot matige verstandelijke handicap. Dit is de beschrijving
van:
a. Ziekte van Duchenne
b. Downsyndroom
c. Syndroom van Klinefelter
d. Fragiele X-syndroom
10. Het germinale stadium is:
a. De periode van twee tot acht weken na de bevruchting waarin grote veranderingen
plaatsvinden in de belangrijkste organen en de fundamentele anatomie.
b. Het eerste en kortste stadium van de prenatale periode, dat plaatsvindt tijdens de eerste
twee weken na de conceptie.
c. Een doorgeefluik tussen de moeder en de foetus waardoor voeding en zuurstof via de
navelstreng wordt geleverd.
d. Het stadium van prenatale ontwikkeling dat rond acht weken na de conceptie begint en
eindigt bij de geboorte.
11. Wat is in-vitrofertilisatie?
a. Een procedure waarbij de zaadcellen van een man door een arts direct in de vagina van
een vrouw worden geplaatst.
b. Een procedure waarbij een aantal eicellen uit de eierstokken van een vrouw worden
verwijderd, waarna zij in een laboratorium worden bevrucht door de zaadcellen van een
man.
c. Het onvermogen om zwanger te worden na twaalf tot achttien maanden proberen.
d. Omgevingsfactor die leidt tot een geboorteafwijking.