VI
Hoorcollege 3 & 4: DNA en Chromosomen
Structuur van DNA
DNA wordt gevormd uit meerdere onderdelen;
1 fosfaatgroep samen met een base vormen
een nucleoside.
In het DNA (desoxyribonucleïnezuur) en RNA
(ribonucleïnezuur) worden basen met elkaar
gepaard. Hierdoor komen ze voor in paren van
twee; een purine met een pyrimidine.
DNA bestaat uit een rechtsdraaiende helix.
Met grofweg 10 basen per winding. DNA is
anti-parallel.
Major grooves en minor grooves wisselen
elkaar af in het DNA. In major grooves binden
transcriptiefactoren en eiwitten zich
makkelijker en meer dan in minor grooves.
Genen coderen voor RNA, 4 nucleotiden
coderen voor 20 verschillende aminozuren.
Adenine met Thymine (Uracil in RNA)
Guanine met Cytosine
Deze 5 basen kunnen onderverdeeld worden in twee categorieën:
Pyrimidines (Y)
• Thymine (2 H-bonds)
• Cytosine (3 H-bonds)
• Uracil (2 H-bonds)
Purines (R)
• Adenine (2 H-bonds)
• Guanine (3 H-bonds)
Biomedische wetenschappen – Cellen
, VII
De backbone van het DNA bestaat uit een suikerketen (pentose), waaraan de nucleotiden vast zitten.
De backbone is covalent en daarnaast negatief geladen door de fosfaatgroepen.
Binding van de fosfaatgroepen van ATP is een fosfoanhydride binding.
Binding tussen de nucleotiden in de ‘backbone’ heet een fosfodiester binding.
Pentose: Een suiker met 5 C-atomen, welke in twee vormen in het DNA/RNA voor komt:
DNA: Desoxyribonucleïnezuur: 5 koolstofatomen, waarbij de 2’ atoom alleen een waterstofatoom zit.
RNA: Ribonucleïnezuur: 5 koolstofatomen, waarbij op de 2’ atoom een waterstofatoom én een
zuurstofatoom zitten.
Nucleoside: Base + Suikergroep (Basisch)
• Adenosine, Guanosine
• Cytidine, Uridine, Thymidine
Nucleotide: Base + Suikergroep + 1 Fosfaatgroep (Zuur)
• ATP, TTP, CTP, GTP
• NTP = ‘Any’ trifosfaat
• In DNA zitten dNTP’s; Deoxynucleotiden
• Als er ddNTP’s zijn (Mist ook een O op de 3’) dan stopt de replicatie —> Geen bindingsplaats
Bij de vorming van een nucleotide, splitst een ATP in AMP en een Pyrofosfaat (PPi) en wordt 1 P
opgenomen in een nucleoside, het heet dan een nucleotide.
Biomedische wetenschappen – Cellen
Hoorcollege 3 & 4: DNA en Chromosomen
Structuur van DNA
DNA wordt gevormd uit meerdere onderdelen;
1 fosfaatgroep samen met een base vormen
een nucleoside.
In het DNA (desoxyribonucleïnezuur) en RNA
(ribonucleïnezuur) worden basen met elkaar
gepaard. Hierdoor komen ze voor in paren van
twee; een purine met een pyrimidine.
DNA bestaat uit een rechtsdraaiende helix.
Met grofweg 10 basen per winding. DNA is
anti-parallel.
Major grooves en minor grooves wisselen
elkaar af in het DNA. In major grooves binden
transcriptiefactoren en eiwitten zich
makkelijker en meer dan in minor grooves.
Genen coderen voor RNA, 4 nucleotiden
coderen voor 20 verschillende aminozuren.
Adenine met Thymine (Uracil in RNA)
Guanine met Cytosine
Deze 5 basen kunnen onderverdeeld worden in twee categorieën:
Pyrimidines (Y)
• Thymine (2 H-bonds)
• Cytosine (3 H-bonds)
• Uracil (2 H-bonds)
Purines (R)
• Adenine (2 H-bonds)
• Guanine (3 H-bonds)
Biomedische wetenschappen – Cellen
, VII
De backbone van het DNA bestaat uit een suikerketen (pentose), waaraan de nucleotiden vast zitten.
De backbone is covalent en daarnaast negatief geladen door de fosfaatgroepen.
Binding van de fosfaatgroepen van ATP is een fosfoanhydride binding.
Binding tussen de nucleotiden in de ‘backbone’ heet een fosfodiester binding.
Pentose: Een suiker met 5 C-atomen, welke in twee vormen in het DNA/RNA voor komt:
DNA: Desoxyribonucleïnezuur: 5 koolstofatomen, waarbij de 2’ atoom alleen een waterstofatoom zit.
RNA: Ribonucleïnezuur: 5 koolstofatomen, waarbij op de 2’ atoom een waterstofatoom én een
zuurstofatoom zitten.
Nucleoside: Base + Suikergroep (Basisch)
• Adenosine, Guanosine
• Cytidine, Uridine, Thymidine
Nucleotide: Base + Suikergroep + 1 Fosfaatgroep (Zuur)
• ATP, TTP, CTP, GTP
• NTP = ‘Any’ trifosfaat
• In DNA zitten dNTP’s; Deoxynucleotiden
• Als er ddNTP’s zijn (Mist ook een O op de 3’) dan stopt de replicatie —> Geen bindingsplaats
Bij de vorming van een nucleotide, splitst een ATP in AMP en een Pyrofosfaat (PPi) en wordt 1 P
opgenomen in een nucleoside, het heet dan een nucleotide.
Biomedische wetenschappen – Cellen