Deel I : Elementaire eenheden van de sociologie
Deze samenvatting is geschreven o.b.v. de cursus (Basisbeginselen Economische Sociologie) van Prof. Stefaan Adriaenssens
Hoofdstuk 2: Cultuur
1.1. Inleiding
Cultuur heeft 2 belangrijke functies:
1. Creatie van betekenissen of definities van de werkelijkheid
2. Verwachtingen over eigen of andermans gedrag
Beide functies vormen maatschappelijke instituties, die +/- aan regels gelijkstaan
1.2. Het concept cultuur
Dagelijkse betekenis van cultuur: kunst, musea, schrijvers, schilders,…
Sociologische betekenis: veel ruimer
Het concept cultuur is een ‘sensitizing concept’: een zo ruim/allesomvattend concept dat het amper
te bestuderen valt!
DUS: afbakening!
1. Cultuur tegenstellen aan natuur: culturele fenomenen bestaan in de niet-aangeboren
aspecten van het menselijk leven. Mensen verschillen van dieren door hun wereldopenheid
(Max Scheler): een mens heeft nood aan een langdurige en intensieve opvoeding. Dit is een
levenslang leerproces waarin noodzakelijke kennis, verwachtingen en gevoelens worden
aangeleerd = socialisatie. Wat aangeleerd wordt, noemen we cultuur.
° Kenmerk 1: Cultuur is een bovenindividueel fenomeen, maar bestaat tegelijkertijd in de mens.
° Kenmerk 2: Cultuur is geen stabiel geheel en heeft nood aan
constante herbevestiging (reproductie)
Cyclus van culturele reproductie = een nooit eindige
cyclus
~ Externalisering refereert aan het uitspreken van
verwachtingen, regels en het bijbrengen aan gewoontes.
~ Internalisering is het gevolg van externalisering: proces
waarbij individuen hetgeen uitgesproken wordt om hen
heen opnemen en verankeren.
~ Objectivering refereert aan het idee dat de omschrijvingen en regels de directe betrokkenen
overstijgen. Dit gebeurt door het steeds herbevestigen waardoor een objectieve sociale
werkelijkheid ontstaat (vb. Taal, vaderschap,…).
° Cultuur is niet hetzelfde als civilisatie. Civilisatie (‘wij zijn geciviliseerd’) is subjectief en is dus een
moraliserend begrip. Cultuur is een wetenschappelijk begrip.
° 2 vormen van cultuur: materiële en belichamende vorm.
1. Alle tastbare vormen van cultuur: vb. boeken, kerken, kunstwerken,… Indien deze vorm
duurzaam is, kan deze verschillende betekenissen aannemen (vb. Stonehenge: vroeger
begraafplaats, nu religieuze beweging). Materiële cultuur vergt een zekere hoeveelheid
belichaamd cultureel kapitaal om er een waarde op te kunnen plakken.
2. Cultuur dat deel uitmaakt van mensen: vb. overtuigingen, waarden, normen,…
° 2 functies van cultuur: constitutieve en regulatieve functie.
1. Cultuur zegt wat bestaat en hoe we dat omschrijven en welke statuut het heeft = sociale
constructie (vormgave van onze werkelijkheid).
2. De wederzijdse verwachtingen t.o.v. elkaars gedrag.
Deze samenvatting is geschreven o.b.v. de cursus (Basisbeginselen Economische Sociologie) van Prof. Stefaan Adriaenssens
Hoofdstuk 2: Cultuur
1.1. Inleiding
Cultuur heeft 2 belangrijke functies:
1. Creatie van betekenissen of definities van de werkelijkheid
2. Verwachtingen over eigen of andermans gedrag
Beide functies vormen maatschappelijke instituties, die +/- aan regels gelijkstaan
1.2. Het concept cultuur
Dagelijkse betekenis van cultuur: kunst, musea, schrijvers, schilders,…
Sociologische betekenis: veel ruimer
Het concept cultuur is een ‘sensitizing concept’: een zo ruim/allesomvattend concept dat het amper
te bestuderen valt!
DUS: afbakening!
1. Cultuur tegenstellen aan natuur: culturele fenomenen bestaan in de niet-aangeboren
aspecten van het menselijk leven. Mensen verschillen van dieren door hun wereldopenheid
(Max Scheler): een mens heeft nood aan een langdurige en intensieve opvoeding. Dit is een
levenslang leerproces waarin noodzakelijke kennis, verwachtingen en gevoelens worden
aangeleerd = socialisatie. Wat aangeleerd wordt, noemen we cultuur.
° Kenmerk 1: Cultuur is een bovenindividueel fenomeen, maar bestaat tegelijkertijd in de mens.
° Kenmerk 2: Cultuur is geen stabiel geheel en heeft nood aan
constante herbevestiging (reproductie)
Cyclus van culturele reproductie = een nooit eindige
cyclus
~ Externalisering refereert aan het uitspreken van
verwachtingen, regels en het bijbrengen aan gewoontes.
~ Internalisering is het gevolg van externalisering: proces
waarbij individuen hetgeen uitgesproken wordt om hen
heen opnemen en verankeren.
~ Objectivering refereert aan het idee dat de omschrijvingen en regels de directe betrokkenen
overstijgen. Dit gebeurt door het steeds herbevestigen waardoor een objectieve sociale
werkelijkheid ontstaat (vb. Taal, vaderschap,…).
° Cultuur is niet hetzelfde als civilisatie. Civilisatie (‘wij zijn geciviliseerd’) is subjectief en is dus een
moraliserend begrip. Cultuur is een wetenschappelijk begrip.
° 2 vormen van cultuur: materiële en belichamende vorm.
1. Alle tastbare vormen van cultuur: vb. boeken, kerken, kunstwerken,… Indien deze vorm
duurzaam is, kan deze verschillende betekenissen aannemen (vb. Stonehenge: vroeger
begraafplaats, nu religieuze beweging). Materiële cultuur vergt een zekere hoeveelheid
belichaamd cultureel kapitaal om er een waarde op te kunnen plakken.
2. Cultuur dat deel uitmaakt van mensen: vb. overtuigingen, waarden, normen,…
° 2 functies van cultuur: constitutieve en regulatieve functie.
1. Cultuur zegt wat bestaat en hoe we dat omschrijven en welke statuut het heeft = sociale
constructie (vormgave van onze werkelijkheid).
2. De wederzijdse verwachtingen t.o.v. elkaars gedrag.