Recessie: wanneer de groei van de economie eerst toeneemt en daarna daalt
Depressie: een langdurige krimp van de economie
Overheidssaldo: het verschil tussen inkomsten en uitgaven van de overheid
Arbeidsvolume: het aantal banen uitgedrukt in arbeidsjaren. Dat hoeft niet gelijk te zijn aan het
aantal werknemers, want er zijn ook mensen die in deeltijd werken.
De conjunctuur verloopt in een cyclus, waarin perioden van hoogconjunctuur afgewisseld worden
door laagconjunctuur. Beide situaties hebben nadelen:
Hoogconjunctuur kan leiden tot prijsinflatie
Laagconjunctuur leidt tot verlies van werkgelegenheid
Beide nadelen tasten de koopkracht aan.
Effectieve vraag: de totale bestedingen
Anticyclisch conjunctuurbeleid: een stabiliserend beleid waarbij de overheid tegen de
conjunctuurcyclus in gaat. Hierdoor kunnen prijsstabiliteit en een evenwichtig arbeidsmarkt ontstaan.
Er is dan alleen natuurlijke werkeloosheid. Bij laagconjunctuur kan de overheid:
- Overheidsbestedingen ↑ effectieve vraag ↑ productie ↑ inkomen ↑
consumptie ↑ effectieve vraag ↑ enz.
- Belastingtarieven ↓ besteedbaar inkomen ↑ consumptie ↑ effectieve vraag
↑ productie ↑ inkomen ↑ consumptie ↑ enz.
Een bestedingsimpuls kan een sneeuwbaleffect hebben. Het leidt tot een toename van de
macrovraag en daarmee tot eens tijging van de productie en het inkomen. Als het inkomen stijgt,
gaan gezinnen meer consumeren waardoor bedrijven meer produceren. Hierdoor stijgen weer het
bbp en het inkomen, enz.
Multipliereffect: het feit dat een overheidsbesteding van 3 miljard kan leiden tot een toename van
het bbp met 4 miljard
Bij hoogconjunctuur kan de overheid de economie remmen door:
- Overheidsbestedingen ↓ effectieve vraag ↓ productie ↓ inkomen ↓
consumptie ↓ effectieve vraag ↓ enz.
- Belastingtarieven ↑ besteedbaar inkomen ↓ consumptie ↓ effectieve vraag
↓ productie ↓ inkomen ↓ consumptie ↓ enz.
Als de overheid bij onderbesteding de economie stimuleert, verdient zij een gedeelte van haar extra
uitgaven terug, omdat door haar stimuleringsbeleid het bbp stijgt en daarmee ook de
belastingontvangsten. We noemen dit het inverdieneffect van extra overheidsuitgaven. Ook
vermindering van de sociale uitkeringen valt hieronder. Dit inverdieneffect doet zich ook voor bij
verlaging van de belastingtarieven. Het besteedbaar inkomen stijgt, de consumptie stijgt en daardoor
stijgen de btw-ontvangsten. Verder leidt een stijgende consumptie tot meer productie, meer
werknemers en dus meer inkomstenbelasting.
Bij actief conjunctuurbeleid is de timing heel belangrijk. Als de economie terugloopt, duurt het vaak
enige tijd voordat dit wordt herkend door economen en politici. Is de overheid er eenmaal van
overtuigd dat stimulerende maatregelen nodig zijn en belsuit ze vervolgens de belastingstarieven te
verlagen of de overheidsuitgaven te vergroten, dan heeft ze daarvoor toestemming nodig van het
parlement. Het vergt dus veel tijd om de maatregelen in werking te stellen. In die tijd kan de
conjunctuur alweer omslaan waardoor de maatregelen procyclisch kunnen werken (versterken).
Verder maakt de toenemende internationale vervlechting van economieën het moeilijk voor de
overheid om hun economie te stimuleren. Als één land de bestedingen stimuleert, zal een groot deel
van de extra bestedingen gedaan worden in het buitenland. Daar schiet een nationale economie niet
veel meer op. Als het beleid Europees plaatsvindt, profiteren alle landen ervan.