Factoren: welvaart, VOC, af van Spanjaarden naar republiek, aandacht voor kennis etc
van hofcultuur nemen we over, contrareformatie (terugwinnen heeft niet echt zin, vooral
niet meer kwijtraken dan je al bent) (middelen worden door reformatie toegepast).
Belangrijk: protestantisme: alles met mate, eenvoud terwijl barok: rijkdom, welvaart etc.
Kunst symbolen van welvaart en kennis. Strijd tussen seculiere macht nog steeds.
Seculiere macht in vorm van republiek was veel verder gekomen. Religieuze macht is
sterk --> splitst met macht versterken seculiere macht naar absolutisme + economische
voorspoed. Opdrachtgevers: economisch gaat zo hard --> ontstaat er een nieuwe laag die
geld hebben namelijk rijke burgers (hebben wat kennis en geld, daardoor meer dagelijks
leven en kleinschalig). Decoratie interieur: zowel welvaart als kennis tonen. Waarom
hebben wij versiering in huizen? Door deze twee aspecten. Curiosa: bijzondere objecten
die afwijkend zijn (herbarium: gedroogde plantjes) --> kennis is macht. Verzamelingen
om te laten zien wat je allemaal hebt, door de VOC.
Gulden snede (in balans) schilderen. Genres, thema’s en onderwerp: net als in hofcultuur
dragen bij aan status opdrachtgever en van kunstenaar --> de opdrachtgever heeft kennis
nodig om over te praten over historiestuk en kunstenaar moet weten om te schilderen -->
kunstenaar zette handtekeningen al, dus krijgt meer verspreiding (als het realistisch/
statusverhogende elementen zoals dure kleding in is). Genrestuk: dagelijks leven, dit kun
je zien aan mensen!! Als er geen mensen zijn is het een landschapschilderij/
stadsgezicht/ stilleven. Portret is geposeerd, genrestuk wordt wel over compositie
nagedacht. Historiestuk: Bijbelse verhalen etc. Landschap: fantasielandschappen
voornamelijk, Hollanders als eerste echte landschappen maken. Waarom echte
landschappen in NL populair waren ipv fantasielandschappen (heuvels) --> de trend was
lastig op locatie te schilderen + Italiaanse landschappen (komt kunst vandaan)
(idealisering door streven naar het goede) --> herkenbaarheid voor NL (seculiere macht)!
Renaissance (idealiserend) en Barok (realistisch).
Stilleven: pronken (weer positief voor opdrachtgever (kijk wat ik heb) EN kunstenaar
(kijk wat ik kan). Moralistische verhalen. Personificatie: abstract --> vrouw (meestal).
Emblemata: plaatje --> motto (spreuk), pictura (voorstelling) en subscriptio (tekst)
(MEME van deze tijd) overeenkomst: plaatje, met pakkende tekst, achterliggend
gedachte. Hals: vlotte manier schilderen. Judith Leyster: eerste feministische schilder
vrouw van Molenaer. Vermeer + Saenderdam: stadsgezichten. Steen: diverse werken erg
vlot, dagelijkse leven van gewone en rijke mensen (door moraliserende boodschap).
Rembrandt: ga dit op een andere manier doen (vernieuwend) + clair obscur (niet
populair door protestantisme (met mate)).
Sober van buiten en rijk van binnen (functie, symmetrie, timpaan, kapitelen):
architectuur. Stadhuis van Amsterdam (symmetrie, versieringen, beelden, interieur
(delfts blauw)). Kocks: pottenbakker. Theater en redrijkers!!! Theater was super populair
maar probleem met kerk. Muziek: barokke muziek maar reformatie dus eenvoud. Dans:
grote hof balletten waren er af en toe. Eyck: met klokkenspel.