Wonen in Nederland
H2: Grote rivieren in de lage landen
2.1 brede rivieren door oneindig laagland
Deelvragen:
1. Wat zijn de kenmerkende eigenschappen van de Rijn en de Maas en hun stroomgebied?
De Maas De Rijn
Reliëfrijk Vlak
Water trekt moeilijk in de grond (rotsachtig) Water trekt makkelijk in de grond
Regenrivier; regiem: grotere schommelingen, Gemengde rivier (smelt- en regenwater);
onregelmatiger regiem: kleinere schommelingen, regelmatiger
Klein stroomgebied -> gevoeliger voor Groot stroomgebied -> minder gevoelig
overstromingen
2. Hoe beïnvloed de eigenschappen van het stroomgebied de waterafvoer?
a. Lange, brede rivieren -> meer waterafvoer van neerslag (hoe meer neerslag, hoe meer
waterafvoer).
b. Bergachtig -> snellere en meer waterafvoer.
c. Ondoorlaatbare bodems -> meer waterafvoer
d. Meer vegetatie -> minder waterafvoer
Menselijke activiteiten -> beïnvloeden sterk
Klimaatverandering -> sterk invloed
3. Welke gevolgen hadden de ruimtelijke aanpassingen in de rivieren voor de waterafvoer en de
bevaarbaarheid?
a. Kribben; versmallen zomerbed -> toename stroomsnelheid -> diepte-erosie -> dalen
rivierbodem -> bochtafsnijding verhoogd stroomsnelheid -> toename waterafvoer.
Kribben (= opstaande muurtjes in een rivier -> legt water vast) zijn in hoogwater niet
goed zichtbaar, dus moeten verlaagd worden om geen obstakels te zijn = beleid.
b. Kanalisatie; bochtafsnijding. Verhang=hoogteverschil: lengte. Lengte↓, verhang↑.
Verhang groter -> veel erosie -> waterafvoer neemt toe -> overstromingsgevaar
neemt toe. Vergemakkelijken van waterafvoer en vaarbaarheid. Beleid = verhang
verlagen.
c. Aanbrengen stenen bestorting -> verbeterde doorvaarbaarheid, verminderd obstakels
en creeën stabielere waterwegen -> beschermd oevers tegen rivieren, verminderd
erosie -> vertraging waterafvoer, creëren wrijving weerstand -> verspreiding
waterstromen.
Begrippen:
Debiet= hoeveelheid water stroomt er op dit moment op een plek door de rivier.
Regiem= schommelingen in waterafvoer in rivier over een jaar. Klimaatverandering →regiem
onregelmatiger, schommelingen groter en frequenter.
Stroomgebied= gebied dat afwatert op een bepaald gebied.
Stroomstelsel= hoofdstroom + zijrivieren en –takken.
Waterscheiding= grens tussen twee stroomgebieden.
, De Rijn
Bovenloop => doorlatende kalk- en zandsteen lagen. Verval is groot →hoge stroomsnelheid
→veel erosie.
∴stroomt door een slenk met aan beide kanten harde, granietachtige gesteenten.
Middelloop => tussen ondoorlaatbare leisteenafzetting en basaltrotsen. De versmalling
vormen een obstakel voor de waterafvoer en de scheepsvaart.
Binnenloop => verhang gering→lagere stroomsnelheid→sedimentatie neemt toe.
Rijntakken => bedijkt, achter de dijken laag liggende polders.
De Maas
Franse deel, de bronnen => weinig verhang, licht golvend, veel neerslagwater zakt weg in de
poreuze kalkbodems en komt langzaam terug in rivieren (lange vertragingstijd).
Belgische deel => stroomt door diep ingesneden, harde gesteenten →slecht doorlaatbaar.
Bebossing in heuvelland → × erosie. Door dunne bodems weinig indringing →korte
vertragingstijd. Klein stroomgebied→veel gelijke/ natte weersomstandigheden.
Nederlands deel => bochtig, zomer= onvaarbaar. Maasplassen zijn geschikt voor
delfstofwinning, recreatie & waterberging.
Stuwen en sluizen regelen waterpeil en scheepsvaart.
Levende rivieren
Meander= natuurlijke bocht in rivier. Verschil in stroomsnelheid →meanderen: erosie
buitenbocht (hoge snelheid), sedimentatie binnenbocht (lage snelheid).
Erosie-/stootoever is diep; sedimentatie/ glijoever is ondiep.
Meanderende rivieren gaan zichzelf uitsnijden →hoefijzervormige arm →van hoge
ecologische waarden.
Versmalling rivier→hogere stroomsnelheid
Waterafvoer en bevaarbaarheid
Waterafvoer van een rivier is te versnellen door kanalisatie:
Bochtafsnijding, aanleg van kribben of het aanbrengen van
steenbestorting.
Kribben versmallen het zomerbed→toename stroomsnelheid →
diepte-erosie →dalen rivierbodem, verhogen van
stroomsnelheid door bodemafsnijding→toename waterafvoer.
Met de bouw van stuwen→reguleren waterstand.
Bouw stuwen→scheepsvaart mogelijk.
Dijkverzwaring= verhogen, verbreden van dijklichaam→
maatschappelijk verzet: aantasten landschap en leefomgeving.
Alternatief: doorbraakvrije dijken →brengt
overstromingsramp terug tot een geringer probleem van
wateroverlast.
H2: Grote rivieren in de lage landen
2.1 brede rivieren door oneindig laagland
Deelvragen:
1. Wat zijn de kenmerkende eigenschappen van de Rijn en de Maas en hun stroomgebied?
De Maas De Rijn
Reliëfrijk Vlak
Water trekt moeilijk in de grond (rotsachtig) Water trekt makkelijk in de grond
Regenrivier; regiem: grotere schommelingen, Gemengde rivier (smelt- en regenwater);
onregelmatiger regiem: kleinere schommelingen, regelmatiger
Klein stroomgebied -> gevoeliger voor Groot stroomgebied -> minder gevoelig
overstromingen
2. Hoe beïnvloed de eigenschappen van het stroomgebied de waterafvoer?
a. Lange, brede rivieren -> meer waterafvoer van neerslag (hoe meer neerslag, hoe meer
waterafvoer).
b. Bergachtig -> snellere en meer waterafvoer.
c. Ondoorlaatbare bodems -> meer waterafvoer
d. Meer vegetatie -> minder waterafvoer
Menselijke activiteiten -> beïnvloeden sterk
Klimaatverandering -> sterk invloed
3. Welke gevolgen hadden de ruimtelijke aanpassingen in de rivieren voor de waterafvoer en de
bevaarbaarheid?
a. Kribben; versmallen zomerbed -> toename stroomsnelheid -> diepte-erosie -> dalen
rivierbodem -> bochtafsnijding verhoogd stroomsnelheid -> toename waterafvoer.
Kribben (= opstaande muurtjes in een rivier -> legt water vast) zijn in hoogwater niet
goed zichtbaar, dus moeten verlaagd worden om geen obstakels te zijn = beleid.
b. Kanalisatie; bochtafsnijding. Verhang=hoogteverschil: lengte. Lengte↓, verhang↑.
Verhang groter -> veel erosie -> waterafvoer neemt toe -> overstromingsgevaar
neemt toe. Vergemakkelijken van waterafvoer en vaarbaarheid. Beleid = verhang
verlagen.
c. Aanbrengen stenen bestorting -> verbeterde doorvaarbaarheid, verminderd obstakels
en creeën stabielere waterwegen -> beschermd oevers tegen rivieren, verminderd
erosie -> vertraging waterafvoer, creëren wrijving weerstand -> verspreiding
waterstromen.
Begrippen:
Debiet= hoeveelheid water stroomt er op dit moment op een plek door de rivier.
Regiem= schommelingen in waterafvoer in rivier over een jaar. Klimaatverandering →regiem
onregelmatiger, schommelingen groter en frequenter.
Stroomgebied= gebied dat afwatert op een bepaald gebied.
Stroomstelsel= hoofdstroom + zijrivieren en –takken.
Waterscheiding= grens tussen twee stroomgebieden.
, De Rijn
Bovenloop => doorlatende kalk- en zandsteen lagen. Verval is groot →hoge stroomsnelheid
→veel erosie.
∴stroomt door een slenk met aan beide kanten harde, granietachtige gesteenten.
Middelloop => tussen ondoorlaatbare leisteenafzetting en basaltrotsen. De versmalling
vormen een obstakel voor de waterafvoer en de scheepsvaart.
Binnenloop => verhang gering→lagere stroomsnelheid→sedimentatie neemt toe.
Rijntakken => bedijkt, achter de dijken laag liggende polders.
De Maas
Franse deel, de bronnen => weinig verhang, licht golvend, veel neerslagwater zakt weg in de
poreuze kalkbodems en komt langzaam terug in rivieren (lange vertragingstijd).
Belgische deel => stroomt door diep ingesneden, harde gesteenten →slecht doorlaatbaar.
Bebossing in heuvelland → × erosie. Door dunne bodems weinig indringing →korte
vertragingstijd. Klein stroomgebied→veel gelijke/ natte weersomstandigheden.
Nederlands deel => bochtig, zomer= onvaarbaar. Maasplassen zijn geschikt voor
delfstofwinning, recreatie & waterberging.
Stuwen en sluizen regelen waterpeil en scheepsvaart.
Levende rivieren
Meander= natuurlijke bocht in rivier. Verschil in stroomsnelheid →meanderen: erosie
buitenbocht (hoge snelheid), sedimentatie binnenbocht (lage snelheid).
Erosie-/stootoever is diep; sedimentatie/ glijoever is ondiep.
Meanderende rivieren gaan zichzelf uitsnijden →hoefijzervormige arm →van hoge
ecologische waarden.
Versmalling rivier→hogere stroomsnelheid
Waterafvoer en bevaarbaarheid
Waterafvoer van een rivier is te versnellen door kanalisatie:
Bochtafsnijding, aanleg van kribben of het aanbrengen van
steenbestorting.
Kribben versmallen het zomerbed→toename stroomsnelheid →
diepte-erosie →dalen rivierbodem, verhogen van
stroomsnelheid door bodemafsnijding→toename waterafvoer.
Met de bouw van stuwen→reguleren waterstand.
Bouw stuwen→scheepsvaart mogelijk.
Dijkverzwaring= verhogen, verbreden van dijklichaam→
maatschappelijk verzet: aantasten landschap en leefomgeving.
Alternatief: doorbraakvrije dijken →brengt
overstromingsramp terug tot een geringer probleem van
wateroverlast.