Beroepsontwikkeling en wetenschappelijk onderzoek
1. De steekproef
1.1 Onderzoekseenheden
= Eenheden waarbij kenmerken, variabelen, worden waargenomen met behulp van een
bepaalde methode.
= Eenheden waaruit de steekproef bestaat.
Onderzoekseenheden gebruiken om onderzoeksvragen te beantwoorden en
gegevens verzamelen.
1.2 Populatie
= Geheel van alle onderzoekseenheden die centraal staan in onderzoek en waarover we
uitspraken willen formuleren.
1.2.1 Theoretische populatie
Verwijst naar alle eenheden waar je via onderzoek een uitspraak over wil doen.
1.2.2 Operationele populatie
Afbakeningsproces= Afbakening van deze theoretische populatie in tijd en ruimte.
Keuzes maken
Nadelen
o Niet geldig voor alle eenheden van theoretische populatie. Alleen voor
eenheden van operationele populatie.
1.3 Steekproef
= Selectie van eenheden uit populatie.
1.4 Representativiteit
Representatief/ generaliseerbaar
Randomisatie= Op basis van toeval.
Stratificatie= Bepaalde eigenschappen in populatie 1zelfde manier in steekproef
verdelen.
1.5 Non- respons en uitval
Non- respons= Niet antwoorden van proefpersonen die geselecteerd waren om aan
onderzoek deel te nemen.
Uitval= Niet meer meedoen
Groter dan 10% kans op vertekening groot!
2. Soorten steekproeven
2.1 Toevalsteekproef/ aselecte steekproef
Kwantitatief onderzoek!
Onderzoeksresultaten generaliseren/ veralgemenen
Selectie op basis van toeval noodzakelijk!
Toeval= Elke eenheid uit operationele populatie even grote kans om geselecteerd te
worden.
Willekeurig= Onderzoeker ‘zomaar’ iemand uitkiest.
Selectie bij toevalsteekproeven – steekproefkader
Steekproefkader= Bestaande/ zelfgemaakte lijst van eenheden die deel uitmaken van
operationele populatie.
1. De steekproef
1.1 Onderzoekseenheden
= Eenheden waarbij kenmerken, variabelen, worden waargenomen met behulp van een
bepaalde methode.
= Eenheden waaruit de steekproef bestaat.
Onderzoekseenheden gebruiken om onderzoeksvragen te beantwoorden en
gegevens verzamelen.
1.2 Populatie
= Geheel van alle onderzoekseenheden die centraal staan in onderzoek en waarover we
uitspraken willen formuleren.
1.2.1 Theoretische populatie
Verwijst naar alle eenheden waar je via onderzoek een uitspraak over wil doen.
1.2.2 Operationele populatie
Afbakeningsproces= Afbakening van deze theoretische populatie in tijd en ruimte.
Keuzes maken
Nadelen
o Niet geldig voor alle eenheden van theoretische populatie. Alleen voor
eenheden van operationele populatie.
1.3 Steekproef
= Selectie van eenheden uit populatie.
1.4 Representativiteit
Representatief/ generaliseerbaar
Randomisatie= Op basis van toeval.
Stratificatie= Bepaalde eigenschappen in populatie 1zelfde manier in steekproef
verdelen.
1.5 Non- respons en uitval
Non- respons= Niet antwoorden van proefpersonen die geselecteerd waren om aan
onderzoek deel te nemen.
Uitval= Niet meer meedoen
Groter dan 10% kans op vertekening groot!
2. Soorten steekproeven
2.1 Toevalsteekproef/ aselecte steekproef
Kwantitatief onderzoek!
Onderzoeksresultaten generaliseren/ veralgemenen
Selectie op basis van toeval noodzakelijk!
Toeval= Elke eenheid uit operationele populatie even grote kans om geselecteerd te
worden.
Willekeurig= Onderzoeker ‘zomaar’ iemand uitkiest.
Selectie bij toevalsteekproeven – steekproefkader
Steekproefkader= Bestaande/ zelfgemaakte lijst van eenheden die deel uitmaken van
operationele populatie.