Psychological Science Michael S. Gazzaniga
Hoofdstuk 12. Social Psychology
Belangrijke begrippen + Samenvatting
, Hoofdstuk 12. Social Psychology
Outgroup homogeneity effect: de neiging om outgroup-leden als minder gevarieerd te zien dan
ingroup-leden
Social identity theory: het idee dat ingroups bestaan uit individuen die zichzelf als leden van dezelfde
sociale categorie beschouwen en trots ervaren door hun groepslidmaatschap
Ingroup favoritism (vriendjespolitiek): de neiging van mensen om leden van de ingroup positief te
evalueren en meer te bevoorrechten dan leden van de outgroup
Social facilitation: het idee dat de aanwezigheid van anderen in het algemeen de prestaties verbetert
Deindividuation: een toestand van verminderde individualiteit, verminderd zelfbewustzijn en
verminderde aandacht voor persoonlijke normen; dit fenomeen kan optreden wanneer mensen deel
uitmaken van een groep
Group polarization: het process waarbij de initiële houding van groepen in de loop van de tijd
extremer wordt
Groupthink: de neiging van een groep om een slechte beslissing te nemen als gevolg van het behoud
van de groep en het handhaven van haar samenhang; vooral waarschijnlijk wanneer de groep onder
intense druk staat, wordt geconfronteerd met externe bedreigingen en vooringenomen is in een
bepaalde richting
Social loafing: de neiging van mensen om minder hard te werken in een groep dan wanneer ze alleen
werken
Conformity: het veranderen van iemands gedrag en meningen om overeen te komen met die van
andere mensen of om aan de verwachtingen van andere mensen te voldoen
Normative influence: de neiging van mensen om zich te conformeren om bij de groep te passen
Informational influence: de neiging van mensen om zich te conformeren wanneer ze aannemen dat
het gedrag van anderen de juiste manier van reageren vertegenwoordigt
Social norms: verwachte gedragsnormen die het gedrag beïnvloeden
Compliance: de neiging om in te stemmen met dingen die door anderen worden gevraagd
Hoofdstuk 12. Social Psychology
Belangrijke begrippen + Samenvatting
, Hoofdstuk 12. Social Psychology
Outgroup homogeneity effect: de neiging om outgroup-leden als minder gevarieerd te zien dan
ingroup-leden
Social identity theory: het idee dat ingroups bestaan uit individuen die zichzelf als leden van dezelfde
sociale categorie beschouwen en trots ervaren door hun groepslidmaatschap
Ingroup favoritism (vriendjespolitiek): de neiging van mensen om leden van de ingroup positief te
evalueren en meer te bevoorrechten dan leden van de outgroup
Social facilitation: het idee dat de aanwezigheid van anderen in het algemeen de prestaties verbetert
Deindividuation: een toestand van verminderde individualiteit, verminderd zelfbewustzijn en
verminderde aandacht voor persoonlijke normen; dit fenomeen kan optreden wanneer mensen deel
uitmaken van een groep
Group polarization: het process waarbij de initiële houding van groepen in de loop van de tijd
extremer wordt
Groupthink: de neiging van een groep om een slechte beslissing te nemen als gevolg van het behoud
van de groep en het handhaven van haar samenhang; vooral waarschijnlijk wanneer de groep onder
intense druk staat, wordt geconfronteerd met externe bedreigingen en vooringenomen is in een
bepaalde richting
Social loafing: de neiging van mensen om minder hard te werken in een groep dan wanneer ze alleen
werken
Conformity: het veranderen van iemands gedrag en meningen om overeen te komen met die van
andere mensen of om aan de verwachtingen van andere mensen te voldoen
Normative influence: de neiging van mensen om zich te conformeren om bij de groep te passen
Informational influence: de neiging van mensen om zich te conformeren wanneer ze aannemen dat
het gedrag van anderen de juiste manier van reageren vertegenwoordigt
Social norms: verwachte gedragsnormen die het gedrag beïnvloeden
Compliance: de neiging om in te stemmen met dingen die door anderen worden gevraagd