3.1 De Griekse beschaving
3.1.1 De geografische situatie
NOTA: de Griekse beschaving niet enkel in het huidig Griekenland maar ook op het
schiereiland, de eilanden,…
Fysische gesteldheid
- Weinig vruchtbare gebieden
- Geen bevaarbare gebieden
- Gebrek aan water
- Afzonderlijke woongebieden
- Weinig ertsen
uitzonderingen: Lauriumgebergte (lood en zilver)
Attica (marmer)
Gevolgen?
1. Ontwikkeling van stadstaten (polis)
- De afgezonderde leefgemeenschappen evolueerden niet tot een eenheid maar tot
onafhankelijke stadstaten (=polis)
- Polis bestaat uit stedelijke kern, omringende platteland en de nabijgelegen dorpjes
Het is autonoom, op socio-economisch en –politiek vlak
(ze kunnen dus onafhankelijk van elkaar werken)
2. Kolonies
- Volledig Middellands Zeegebied en langs kusten van Zwarte zee
- Reden?
Handelsbelangen veilig stellen
Dreigende overbevolking in hun polis te vermijden
(polis kon maar een bep. aantal mensen voeden en huisvesten. Elke kolonie=
autonome stadstaat)
3.1.2 De Griekse geschiedenis, een beknopt overzicht
3.1.2.1 Bloei van Kreta, de Minoïsche beschaving
Politiek en economisch - Kreta: schakel tss Nabije Oosten, Egypte en Griekenland
- Paleisnederzettingen waar de minos leefde (lokale vorst)
- Evolutie van agrarische economie naar een thalassocratie (= macht
op zee)
macht over Egeïsch gebied op militair, territoriaal en handelsvlak
- Ondergang van de Minoïsche beschaving?
Natuurramp? Vulkaanuitbarsting op Thera
Aardbevingen en tsunami volgt
Inval v/d Achaïers ?
, Culturele erfenis Architectuur
- Paleizen gebouwd aan directe
verbindingswegen met het platteland en
vlakbij grote zeewegen.
- Paleizen vormen centrum van het centraal
bestuur met a/h hoofd: de priester-koning
(vb koning Minos)
Schilderkunst
- Fresco’s (=wandschilderijen)
vooral over de natuur
Godsdienst
- Moedergodin/ vruchtbaarheidsgodin
- Geen afbeeldingen van hun goden
3.1.2.2 Het Griekse vasteland
Politieke en economische ontwikkeling tot de archaïsche tijd
- 7de millenium: Neolithisering 4de millenium: koperbewerking 2800v.C
bronsbewerking (= Helladische periode)
- Invallen van Indo-Europese migranten
1) Ioniërs
* Brachten oudste vormen v/d Griekse taal mee
2) Achaeërs
* Basis v/d Myceense beschaving
* Zware muren (zonder cement) omringden de paleisheuvel
leeuwenpoort is onderdeel v/die omwallingsmuur
* Deden aan handel a/d Middellandse zee
Vb: olijfolie naar Syrië
* Culturele uitwisseling
Vb: leerden aan Kretenzers hun lettergrepenschrift en bouwtechnische snufjes
Achaeërs leerden in Egypte de strijdwagen kennen
* 14de eeuw v.C Mycene kent zijn hoogtepunt
overheersing Kreta en oprukken naar Zuid-Italië waar ze de Trojaanse oorlog
vochten om toegang tot de Zwarte Zee te verkrijgen
3) Doriërs
* Vanuit Balkangebied vielen ze binnen
* Ruw volk dat over ijzeren wapens beschikte
* Griekenland is verdeeld: noorden: Achaeërs
Athene (Attica): Ioniërs
zuiden (Sparta): Doriërs
* Handel viel stil, de donkere eeuwen braken aan
* oorspronkelijke inwoners vluchten naar andere regio’s en ontwikkelde ionische
beschaving verder.