Probleem 5: the twisted reality.
Vignet A: Hoe maken we mentale representaties?
Hoe hebben mentale beelden invloed op reactiesnelheid?
(Experiment Kosslyn)
Vignet B: Hoe werkt het manipuleren van mentale beelden?
Wanneer wordt dit makkelijker of moeilijker?
Vignet C: Wat sla je op in een mentale afbeelding?
Vignet D: Wat is- en hoe werkt een cognitieve map?
Gelezen boeken:
Reisberg - Cognition (2013)
Matlin - Cognition (2014)
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Vignet A
Visual imagery
Imagery: het maken van mentale representaties van stimuli die niet fysiek aanwezig zijn. Daar waar
perceptie zowel bottum-up als top-down verwerking vereist, berust mental imagery uitsluitend op top-
down verwerking. In een dagboek onderzoek gaven studenten aan dat ongeveer 2/3e van hun mentale
beelden visueel waren. Mentale beelden voor geluid, aanraking, smaak en geur komen minder voor.
Er is onenigheid over de vraag of mentale beelden eerder op percepties of op taal lijken.
1. Analog code (ook wel depictive representation / pictorial representation): een analog code
is een representatie die erg lijkt op het fysieke object dat men zich inbeeld. Mental imagery is
volgens aanhangers van deze visie sterk verbonden met perceptie. Mensen die analog coding
aanhangen zeggen dat mentale beelden op eenzelfde manier geregistreerd worden als visuele
informatie zoals we die binnenkrijgen via perceptie. Wanneer men in werkelijkheid naar een
object kijkt, worden details vaak niet opgemerkt. Dit is ook zo bij mentale representaties.
Verder worden er tijdens visual imagery en visual perception veel gelijke cortexstructuren
geactiveerd. Deze ‘theorie’ is van Kosslyn en Thompson. Limieten zijn: er worden geen
analog codes gemaakt voor vage figuren die minder bekend zijn (davidsster). Soms kan een
propositional code een analog code overschrijven.
2. Propositional code (ook wel descriptive representation): een propositional code is een
abstracte, taal-achtige representatie van een object: de opslag is niet visueel nog ruimtelijk en
het lijkt fysiek gezien niet op de originele stimulus. Mental imagery is volgens aanhangers van
deze visie sterk verbonden met taal en niet met perceptie. Een sterke aanhanger van deze visie
was Pylyshyn. Hij zei dat mensen wel mentale beelden hebben, maar dat ze epiphenomental
zijn: er wordt informatie uit de propositional storage gehaald (dus abstracte en taal-achtige
informatie) en die informatie wordt samengevoegd tot een oppervlakkige mentale afbeelding.
Hij zegt dat het onmogelijk is om alles op te slaan door mentale beelden, het zou te veel
ruimte in beslag nemen. Proposities zijn beschrijvingen van de onderliggende betekenis van
relaties tussen objecten (bijv. de kat is onder de tafel = de tafel is boven de kat). Er ligt
informatie opgeslagen over acties, attributen en ruimtelijke locaties.
Beide hebben waarheid in zich.
Er zijn verschillende theorieën gemaakt over welke visie kloppend is in het imagery debate:
1. Dual coding: high-imagery woorden worden dubbel gerepresenteerd. We gebruiken zowel
beelden (analog code) als taal (symbolic code) om informatie mentaal in te beelden. Dit geeft
een twee keer zo grote kans om de informatie die je nodig hebt te lokaliseren en te gebruiken.
Toegang tot symbolic memories is het makkelijkst wanneer we aanwijzingen krijgen in de
vorm van een woord “ken je het woord kat?” en toegang tot image-based memories wanneer
1