2.4
Strijd tussen pausen en koningen
Twee soorten machten
In de vroege middeleeuwen steunden pausen en katholiek koningen elkaar. Ze waren
wederzijds afhankelijk en dat werd in de vroege middeleeuwen tweezwaardenleer
genoemd. Volgen deze leer was de wereld verdeeld in twee machtssfeer een geestelijke en
een wereldlijke. De twee machten moesten niet met elkaar vechten, maar respecteren en
versterken. Geestelijken moesten beschermd worden door de wereldlijke macht. En de
wereldlijke macht kon alleen regeren met de goddelijke zegen van de geestelijkheid. Na het
jaar 1000 raakten vorsten en pausen steeds meer verwikkeld in een openlijke machtsstrijd.
Daarbij was de vraag wie de meeste macht had. De pausen probeerde ook de hoogste
wereldlijke macht op te eisen: zij waren (volgens henzelf) verheven boven wereldlijke
machthebbers. De wereldlijke machthebber waren het hier niet mee eens.
De investituurstrijd
Bij de benoeming van een bisschop hoorde een ritueel dat we ‘investituur’
(letterlijk:bekleding) noemen. Daarbij kreeg hij symbolen van de geestelijke en de wereldlijke
macht. Als hij die kreeg van een leek (een niet-geestelijke) was er sprake van
lekeninvestituur. De paus had grote bezwaren tegen deze vorm van investituur: hij vond
dat de benoeming van bisschoppen zijn taak was. In de 11e eeuw begon daarmee de
investituurstrijd tussen keizers en pausen.
Het conflict eindigde zonder duidelijke winnaar. In 1122 werd een compromis gesloten. De
paus zou voortaan aan een bisschop de geestelijke macht geven, de keizer gaf een
bisschop de wereldlijke macht. Zo leverde beide partijen iets is, maar hielden wel hun eigen
invloedssfeer. Het evenwicht leek daarmee hersteld.
In de praktijk waren het nu de hoge geestelijken binnen de bisdommen die uit naam van de
paus een bisschop uitgekozen. De hoge geestelijken waren afkomstig uit de adel. Omdat
deze edelen nu meer te zeggen hadden, werd de macht van de keizer beperkt. Het gevolg
was dat het Duitse Rijk niet gemakkelijk tot een eenheid kon uitgroeien, maar verbrokkeld
bleef in tal van kleine en grotere staten. Dit gold ook voor de Noordelijke Nederlanden, die
grotendeel onder het Duitse keizerrijk vielen.
Begin van staatsvorming en centralisatie
Centralisatie van de macht
Koningen slaagden erin hun macht te verstevigen en te regeren vanuit één plaats,
centralisatie. Leenmannen kwamen hiertegen in verzet, omdat zij zoveel mogelijk
zeggenschap wilden houden over hun gebieden.
In de vroege middeleeuwen was het besturen van een groot gebied niet makkelijk. De
leenheren reisden van plaats naar plaats om toezicht te houden en zich te verzekeren van
de trouw van hun edelen. Maar die trouw sprak allerminst vanzelf: dankzij hun leen waren de
leenmannen immers financieel onafhankelijk. Daardoor was het vrijwel onmogelijk voor
langere tijd een stabiel rijk te vestigen.
Strijd tussen pausen en koningen
Twee soorten machten
In de vroege middeleeuwen steunden pausen en katholiek koningen elkaar. Ze waren
wederzijds afhankelijk en dat werd in de vroege middeleeuwen tweezwaardenleer
genoemd. Volgen deze leer was de wereld verdeeld in twee machtssfeer een geestelijke en
een wereldlijke. De twee machten moesten niet met elkaar vechten, maar respecteren en
versterken. Geestelijken moesten beschermd worden door de wereldlijke macht. En de
wereldlijke macht kon alleen regeren met de goddelijke zegen van de geestelijkheid. Na het
jaar 1000 raakten vorsten en pausen steeds meer verwikkeld in een openlijke machtsstrijd.
Daarbij was de vraag wie de meeste macht had. De pausen probeerde ook de hoogste
wereldlijke macht op te eisen: zij waren (volgens henzelf) verheven boven wereldlijke
machthebbers. De wereldlijke machthebber waren het hier niet mee eens.
De investituurstrijd
Bij de benoeming van een bisschop hoorde een ritueel dat we ‘investituur’
(letterlijk:bekleding) noemen. Daarbij kreeg hij symbolen van de geestelijke en de wereldlijke
macht. Als hij die kreeg van een leek (een niet-geestelijke) was er sprake van
lekeninvestituur. De paus had grote bezwaren tegen deze vorm van investituur: hij vond
dat de benoeming van bisschoppen zijn taak was. In de 11e eeuw begon daarmee de
investituurstrijd tussen keizers en pausen.
Het conflict eindigde zonder duidelijke winnaar. In 1122 werd een compromis gesloten. De
paus zou voortaan aan een bisschop de geestelijke macht geven, de keizer gaf een
bisschop de wereldlijke macht. Zo leverde beide partijen iets is, maar hielden wel hun eigen
invloedssfeer. Het evenwicht leek daarmee hersteld.
In de praktijk waren het nu de hoge geestelijken binnen de bisdommen die uit naam van de
paus een bisschop uitgekozen. De hoge geestelijken waren afkomstig uit de adel. Omdat
deze edelen nu meer te zeggen hadden, werd de macht van de keizer beperkt. Het gevolg
was dat het Duitse Rijk niet gemakkelijk tot een eenheid kon uitgroeien, maar verbrokkeld
bleef in tal van kleine en grotere staten. Dit gold ook voor de Noordelijke Nederlanden, die
grotendeel onder het Duitse keizerrijk vielen.
Begin van staatsvorming en centralisatie
Centralisatie van de macht
Koningen slaagden erin hun macht te verstevigen en te regeren vanuit één plaats,
centralisatie. Leenmannen kwamen hiertegen in verzet, omdat zij zoveel mogelijk
zeggenschap wilden houden over hun gebieden.
In de vroege middeleeuwen was het besturen van een groot gebied niet makkelijk. De
leenheren reisden van plaats naar plaats om toezicht te houden en zich te verzekeren van
de trouw van hun edelen. Maar die trouw sprak allerminst vanzelf: dankzij hun leen waren de
leenmannen immers financieel onafhankelijk. Daardoor was het vrijwel onmogelijk voor
langere tijd een stabiel rijk te vestigen.