Een inleiding in de agogische theorie, agogiek. Hoofdstuk 8: Werken aan de samenleving
Voor de verandering
Hoofdstuk 8: Werken aan de samenleving
Agogen in en met de samenleving
Er zijn veel personen en instanties die zich op een of andere wijze bezighouden met
het geven van vorm en richting aan onze samenleving. Beroepsmatig of vrijwillig kan
dit gebeuren. Waarbij soms het werk zeer agogisch is. Waarbij andere instanties de
agogie helemaal niet gebruiken. Hier beperken we ons echter wel duidelijk tot die
psychosociale beïnvloeding die niet al te eenzijdig van het belang van de
beïnvloeder tot doel heeft. Mensen en instellingen die zich bezighouden met het
veranderen van grotere samenlevingsverbanden zijn onder andere: politieke partijen,
instellingen voor opbouwwerk, welzijnswerk, emancipatiebewegingen en
belangenorganisaties.
Op macroniveau, waarop we ons nu bevinden, is dikwijls het begrip doelgroep
bruikbaar. Overigens zal niet iedereen die tot die doelgroep behoort veranderen. De
doelgroep bevat als het ware de potentiele cliënten.
Cultuur, structuur en besluitvorming
Er zijn ettelijke psychosociale aspecten die eigen zijn aan het macroniveau, denk
hierbij aan: wetgeving, geschiedenis, taal, gewoontes en gebruiken. Dit vatten we
samen met de term cultuur. Binnen groeperingen in een samenleving bestaat er een
afspiegeling van de cultuur waartoe zij behoren. De samenleving daarin is
opgebouwd uit klassen, groepen en groeperingen die door hun onderlinge
verbindingen een sociale structuur vormen. Een van die sociale structuren waarin
mensen leven, is die van de woonomgeving. De vrijheid die je daarin hebt is plezierig
maar kent ook z’n negatieve kanten. Ten eerste zijn er mensen die niet zo
gemakkelijk gekozen worden. En ten tweede leidt die vrijheid ertoe dat mensen in
het algemeen vooral met min of meer gelijken zullen omgaan. Daaraan liggen twee
selectiemechanismen ten grondslag. Er vindt positieve selectie plaats doordat
mensen anderen kiezen op grond van belangstelling, affectie. Maar er vindt
negatieve selectie plaats doordat bepaalde mensen niet met je omgaan en je zo
aangewezen bent op anderen die ook niet worden gekozen. Zo wordt eraan
differentiële associatie gedaan: in besloten groepen wordt fout gedrag bekrachtigd,
doordat men er meer positieve dan negatieve reacties op krijgt.
Een belangrijk aspect van de structuur van een samenleving is de sociale
stratificatie. Stratificatie betekent gelaagdheid, en dit begrip heeft hier betrekking op
het bestaan van verschillende lagen binnen de samenleving. Het gaat dan om de
verticale opbouw in standen of klassen waarbij er dus sprake is van hoger of lager.
De klasse waartoe je behoort heeft sterk te maken met je socialisatieproces. Dit is
het proces waarin je wordt klaargestoomd voor deelname aan een subcultuur.
Voor de verandering
Hoofdstuk 8: Werken aan de samenleving
Agogen in en met de samenleving
Er zijn veel personen en instanties die zich op een of andere wijze bezighouden met
het geven van vorm en richting aan onze samenleving. Beroepsmatig of vrijwillig kan
dit gebeuren. Waarbij soms het werk zeer agogisch is. Waarbij andere instanties de
agogie helemaal niet gebruiken. Hier beperken we ons echter wel duidelijk tot die
psychosociale beïnvloeding die niet al te eenzijdig van het belang van de
beïnvloeder tot doel heeft. Mensen en instellingen die zich bezighouden met het
veranderen van grotere samenlevingsverbanden zijn onder andere: politieke partijen,
instellingen voor opbouwwerk, welzijnswerk, emancipatiebewegingen en
belangenorganisaties.
Op macroniveau, waarop we ons nu bevinden, is dikwijls het begrip doelgroep
bruikbaar. Overigens zal niet iedereen die tot die doelgroep behoort veranderen. De
doelgroep bevat als het ware de potentiele cliënten.
Cultuur, structuur en besluitvorming
Er zijn ettelijke psychosociale aspecten die eigen zijn aan het macroniveau, denk
hierbij aan: wetgeving, geschiedenis, taal, gewoontes en gebruiken. Dit vatten we
samen met de term cultuur. Binnen groeperingen in een samenleving bestaat er een
afspiegeling van de cultuur waartoe zij behoren. De samenleving daarin is
opgebouwd uit klassen, groepen en groeperingen die door hun onderlinge
verbindingen een sociale structuur vormen. Een van die sociale structuren waarin
mensen leven, is die van de woonomgeving. De vrijheid die je daarin hebt is plezierig
maar kent ook z’n negatieve kanten. Ten eerste zijn er mensen die niet zo
gemakkelijk gekozen worden. En ten tweede leidt die vrijheid ertoe dat mensen in
het algemeen vooral met min of meer gelijken zullen omgaan. Daaraan liggen twee
selectiemechanismen ten grondslag. Er vindt positieve selectie plaats doordat
mensen anderen kiezen op grond van belangstelling, affectie. Maar er vindt
negatieve selectie plaats doordat bepaalde mensen niet met je omgaan en je zo
aangewezen bent op anderen die ook niet worden gekozen. Zo wordt eraan
differentiële associatie gedaan: in besloten groepen wordt fout gedrag bekrachtigd,
doordat men er meer positieve dan negatieve reacties op krijgt.
Een belangrijk aspect van de structuur van een samenleving is de sociale
stratificatie. Stratificatie betekent gelaagdheid, en dit begrip heeft hier betrekking op
het bestaan van verschillende lagen binnen de samenleving. Het gaat dan om de
verticale opbouw in standen of klassen waarbij er dus sprake is van hoger of lager.
De klasse waartoe je behoort heeft sterk te maken met je socialisatieproces. Dit is
het proces waarin je wordt klaargestoomd voor deelname aan een subcultuur.