H3 Energie
3.1 Energiebronnen
Energiebron = alles dat bruikbare energie kan leveren. Zonlicht, wind en aardgas zijn voorbeelden
van energiebronnen.
6 energiebronnen die in NL worden gebruikt:
Fossiele brandstoffen (91,4%) = zoals aardolie, aardgas en steenkool bevatten chemische
energie. Aardolieproducten: transport. Aardgas: verwarmen gebouwen en in
elektriciteitscentrales. Steenkool: in enkele elektriciteitscentrales.
Biomassa (4,5%) = van planten en dieren afkomstig. Het levert chemische energie. Sommige
soorten direct verbranden. Ook vergisten, hierbij komt biogas vrij, lijkt op aardgas.
Wind (1,7%) = wieken van windmolen/windturbine drijven generator aan. Bewegingsenergie
wordt omgezet in elektrische energie.
Kernsplijting (1,4%) = sommige atoomkeren kun je splijten. Komt veel energie in vorm van
warmte vrij. In kerncentrale die warmte omgezet in stoom die tegen schoepen van turbine spuit.
Die is dan weer gekoppeld aan een generator, die zet de bewegingsenergie om in elektrische
energie.
Zon (0,6%) = een zonnecollector zet stralingsenergie van zon om in
warmte, waarmee water wordt verhit. Zonnecellen zetten
stralingsenergie om in elektrische energie.
Aardwarmte (0,2%) = Hoe dieper in aarde, hoe hoger tempratuur.
Voor winning aardwarmte 2 putten nodig. 1e Put wordt heet
grondwater omhooggepompt. Dit kan vervuild zijn en zouten
bevatten. Dit gaat door warmtewisselaar, waar het deel van warmte
aan koud water afgeeft. Daarna weer terug via 2de put in grond.
Energietransitie = overgang van niet-duurzame energiebronnen naar duurzame, klimaatneutrale
energiebronnen.
Ideale energiebron: ⎯ Duurzame energiebronnen. Fossiele brandstoffen
vervangen.
⎯ Onuitputtelijk
⎯ Efficiënt energiemanagement. Gebruik van energie
⎯ Altijd beschikbaar
beperken.
⎯ Milieuvriendelijk
⎯ Grootschalige energieopslag. Energie opslaan.
⎯ Goedkoop
⎯ Lokale productie van energie. Alles meer lokaal geregeld.
Vermogen van een windmolen.
Grootheid Symbool Eenheid Afk. 𝑷 = 𝒌 ⋅ 𝒗𝟑 𝑃
𝑘= 3 3 𝑃
Vermogen P Watt W 𝑣 𝑣=√
k 𝑘
Snelheid v meter/seconde m/s
⎯ k is een constante, afhankelijk van luchtdichtheid en de diameter van de wieken.
3.1 Energiebronnen
Energiebron = alles dat bruikbare energie kan leveren. Zonlicht, wind en aardgas zijn voorbeelden
van energiebronnen.
6 energiebronnen die in NL worden gebruikt:
Fossiele brandstoffen (91,4%) = zoals aardolie, aardgas en steenkool bevatten chemische
energie. Aardolieproducten: transport. Aardgas: verwarmen gebouwen en in
elektriciteitscentrales. Steenkool: in enkele elektriciteitscentrales.
Biomassa (4,5%) = van planten en dieren afkomstig. Het levert chemische energie. Sommige
soorten direct verbranden. Ook vergisten, hierbij komt biogas vrij, lijkt op aardgas.
Wind (1,7%) = wieken van windmolen/windturbine drijven generator aan. Bewegingsenergie
wordt omgezet in elektrische energie.
Kernsplijting (1,4%) = sommige atoomkeren kun je splijten. Komt veel energie in vorm van
warmte vrij. In kerncentrale die warmte omgezet in stoom die tegen schoepen van turbine spuit.
Die is dan weer gekoppeld aan een generator, die zet de bewegingsenergie om in elektrische
energie.
Zon (0,6%) = een zonnecollector zet stralingsenergie van zon om in
warmte, waarmee water wordt verhit. Zonnecellen zetten
stralingsenergie om in elektrische energie.
Aardwarmte (0,2%) = Hoe dieper in aarde, hoe hoger tempratuur.
Voor winning aardwarmte 2 putten nodig. 1e Put wordt heet
grondwater omhooggepompt. Dit kan vervuild zijn en zouten
bevatten. Dit gaat door warmtewisselaar, waar het deel van warmte
aan koud water afgeeft. Daarna weer terug via 2de put in grond.
Energietransitie = overgang van niet-duurzame energiebronnen naar duurzame, klimaatneutrale
energiebronnen.
Ideale energiebron: ⎯ Duurzame energiebronnen. Fossiele brandstoffen
vervangen.
⎯ Onuitputtelijk
⎯ Efficiënt energiemanagement. Gebruik van energie
⎯ Altijd beschikbaar
beperken.
⎯ Milieuvriendelijk
⎯ Grootschalige energieopslag. Energie opslaan.
⎯ Goedkoop
⎯ Lokale productie van energie. Alles meer lokaal geregeld.
Vermogen van een windmolen.
Grootheid Symbool Eenheid Afk. 𝑷 = 𝒌 ⋅ 𝒗𝟑 𝑃
𝑘= 3 3 𝑃
Vermogen P Watt W 𝑣 𝑣=√
k 𝑘
Snelheid v meter/seconde m/s
⎯ k is een constante, afhankelijk van luchtdichtheid en de diameter van de wieken.