Jurisprudentie
Week 1
HR 29 juni 2001, JOR 2001, 169 (MTW/FNV)
Het hof heeft geoordeeld dat MTW haar bevoegdheid tot het doen van aangifte tot
faillietverklaring heeft uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend,
namelijk om door deze aangifte af te komen van haar verplichtingen tegenover haar
werknemers, en aldus deze bevoegdheid heeft misbruikt. Anders dan waarvan de klacht
uitgaat komt bij beoordeling van de vraag of een bevoegdheid is misbruikt doordat zij is
uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, naar volgt uit art. 3:13 lid 2
BW, een belangenafweging niet aan de orde.
HR 17 januari 2014, NJ 2014/61 (Unitco)
Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep
opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan, te weten dat
de schuldenaar meer dan een schuldeiser heeft en dat het bestaan van de vorderingen
summierlijk is gebleken. De rechter in hoger beroep dient uit te gaan van de toestand ten
tijde van zijn uitspraak en moet dus de op dat moment bestaande omstandigheden in
aanmerking nemen en zal dus moeten kijken of er wordt voldaan aan het vereiste van
pluraliteit van schuldeisers en of die vorderingen summierlijk zijn gebleken.
Het staat derden in beginsel vrij hangende een procedure tot faillietverklaring
steunvorderingen te voldoen, hetgeen geen doorbreking oplevert van de paritas creditorum,
ook niet indien de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft of
daarvoor geen zekerheid wordt gesteld.
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488
De Hoge Raad ziet geen aanleiding van zijn vast rechtspraak terug te komen. De voor een
faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering, vindt volgens
die rechtspraak zijn rechtvaardiging hierin dat het faillissement ten doel heeft het vermogen
van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt
niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts 1 schuldeiser heeft.
HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2348 (lees ook de conclusie ECLI:NL:PHR:2016:996)
Bij de toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid 2, aanhef en onder c, FW is
vereist dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt. Er moet
worden beoordeeld of het schenden van de kernverplichting van de maandelijkse
boedelafdracht zodanig verwijtbaar is dat dit tot de beëindiging van het
schuldsaneringstraject moet leiden.
Week 2
Uitwinning van verpande vorderingen
HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN)
De pandgever ontleent aan art. 3:246 lid 1 BW de bevoegdheid te eigen behoeve nakoming
van stil verpande vorderingen te eisen en betaling daarvan in ontvangst te nemen zolang
geen mededeling van de verpanding aan de schuldenaar van de verpande vorderingen is
gedaan. Een stille pandhouder mag ook tijdens het faillissement van de pandgever aan de
debiteuren van de stil verpande vorderingen mededeling doen.
Week 1
HR 29 juni 2001, JOR 2001, 169 (MTW/FNV)
Het hof heeft geoordeeld dat MTW haar bevoegdheid tot het doen van aangifte tot
faillietverklaring heeft uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend,
namelijk om door deze aangifte af te komen van haar verplichtingen tegenover haar
werknemers, en aldus deze bevoegdheid heeft misbruikt. Anders dan waarvan de klacht
uitgaat komt bij beoordeling van de vraag of een bevoegdheid is misbruikt doordat zij is
uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, naar volgt uit art. 3:13 lid 2
BW, een belangenafweging niet aan de orde.
HR 17 januari 2014, NJ 2014/61 (Unitco)
Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep
opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan, te weten dat
de schuldenaar meer dan een schuldeiser heeft en dat het bestaan van de vorderingen
summierlijk is gebleken. De rechter in hoger beroep dient uit te gaan van de toestand ten
tijde van zijn uitspraak en moet dus de op dat moment bestaande omstandigheden in
aanmerking nemen en zal dus moeten kijken of er wordt voldaan aan het vereiste van
pluraliteit van schuldeisers en of die vorderingen summierlijk zijn gebleken.
Het staat derden in beginsel vrij hangende een procedure tot faillietverklaring
steunvorderingen te voldoen, hetgeen geen doorbreking oplevert van de paritas creditorum,
ook niet indien de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft of
daarvoor geen zekerheid wordt gesteld.
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488
De Hoge Raad ziet geen aanleiding van zijn vast rechtspraak terug te komen. De voor een
faillietverklaring geldende eis dat summierlijk blijkt van een steunvordering, vindt volgens
die rechtspraak zijn rechtvaardiging hierin dat het faillissement ten doel heeft het vermogen
van de schuldenaar te verdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Met dat doel strookt
niet de faillietverklaring van een schuldenaar die slechts 1 schuldeiser heeft.
HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2348 (lees ook de conclusie ECLI:NL:PHR:2016:996)
Bij de toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid 2, aanhef en onder c, FW is
vereist dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt. Er moet
worden beoordeeld of het schenden van de kernverplichting van de maandelijkse
boedelafdracht zodanig verwijtbaar is dat dit tot de beëindiging van het
schuldsaneringstraject moet leiden.
Week 2
Uitwinning van verpande vorderingen
HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN)
De pandgever ontleent aan art. 3:246 lid 1 BW de bevoegdheid te eigen behoeve nakoming
van stil verpande vorderingen te eisen en betaling daarvan in ontvangst te nemen zolang
geen mededeling van de verpanding aan de schuldenaar van de verpande vorderingen is
gedaan. Een stille pandhouder mag ook tijdens het faillissement van de pandgever aan de
debiteuren van de stil verpande vorderingen mededeling doen.