Voorbereidingsvragen
1a. Teken schematisch de algemene biochemische structuur van onderstaande macromoleculen en geef
aan welke delen hydrofobe interactie zullen aangaan en welke delen hydrofiel zijn en waar je reactie
met H+ verwacht. Vet, eiwit, DNA, glycogeen.
Zie afbeelding 12
Glycogeen:
1b. Waarom gebruiken we bij het isoleren van eiwit, bij voorkeur de cytosolaire fractie en is werken met
eiwitten uit celmembranen of eiwitten die deel uitmaken van het cytoskelet veel lastiger?
Die eiwitten zitten niet zo stevig gebonden aan het celmembraan of het cytoskelet.
1c. Probeer een chemische verklaring te bedenken waarom DNA en eiwit wel met trichloorazijnzuur
neerslaat en glycogeen niet. (hint: de eerste stap is een reactie met H+)
Eiwitten en DNA kunnen wel een H+ opnemen/afstaan door aanwezigheid van zure en basische
groepen, terwijl glycogeen dat niet makkelijk doet door afwezigheid van basische en zure groepen.
1d. Wat is de rol van alcohol bij het laten neerslaan van glycogeen en DNA-histon complexen?
?
2. In welk van onderstaande experimenten verwacht je de grootste verschillen te zien tussen
supermarkt kippenlever (S) en kippenlever (V) van normale gevoede dieren? Welke dieren zullen hoger
scoren S of V of zal het niet veel uitmaken?
Glycogeen isolatie (1.3.f): S minder want ze krijgen uren voor de slacht geen eten meer en gaan dus hun
voorraad aan glucose gebruiken.
Eiwit isolatie (1.5.e.): Zal waarschijnlijk niet veel verschillen, maar misschien S meer want die krijgen
eiwitten veel in de voeding om snel te groeien.
DNA-isolatie (1.6.e): zal niet veel uitmaken, DNA verandert niet snel.
Supernatant: vloeistof boven op sediment na centrifugeren.
Vortexen: swenken