Woordenlijst Sociale psychologie
H1: Inleiding
Sociale psychologie = wetenschappelijke studie naar de wijze waarop gedachten, gevoelens,
motivaties en gedragingen van mensen beïnvloed worden door de aanwezigheid van anderen
en hoe wij zelf een invloed uitoefenen op hoe andere personen denken, voelen en zich
gedragen
Multi-level analyse = effecten van variabelen worden nagegaan zowel op individueel niveau
als op groepsniveau
Interactionisme = stroming die de nadruk legt op het feit dat er een dynamische
wisselwerking is tussen individuele verschillen en de situatie
- Zwakke situaties beïnvloeden het gedrag matig
- Sterke situaties beïnvoeden het gedrag sterk
Sociologie = het effect van de groep
Sociale psychologie = het effect van de conditie (cross-individuele consistentie)
Persoonlijkheidspsychologie = het effect van de persoonlijkheid (cross-situationele
consistentie)
Klinische psychologie = gaat personen met psychische problemen helpen
Cognitieve psychologie = bestudeert mentale processen die betrekking hebben op
informatieverwerking
Arbeids-en organisatiepsychologie = bestudeert de mens in relatie tot zijn werk
Terugblikvertekening = de neiging van mensen om te overdrijven in de mate waarin ze een
bepaalde uitkomst voorspeld hebben
Theodor Adorno = ‘The Authoritan Personality’
Gordan Allport = ‘The nature of prejudice’
Solomon Asch = Conformiteit en persoonsperceptie
Leon Festinger = sociale vergelijkingstheorie en cognitieve dissonantietheorie
Fritz Heider = attributietheorie en balanstheorie
Carl Hovland = experimenten over attitudes en communicatie
Harold Kelley = attributietheorie en kosten-baten van relaties
Sociale cognitie = handelt over hoe men informatie over onszelf en anderen waarnemen,
onthouden en interpreteren
,Crosscultureel onderzoek = nagaan wat de verschillen zijn tussen verschillende culturen
Multicultureel onderzoek = nagaan wat de gelijkenissen en de verschillen zijn binnen
éénzelfde cultuur
H4: Sociale perceptie
Schema = georganiseerde verzameling van kennis over een stimulus of over een categorie
van stimuli
- Niet iedereen heeft dezelfde schema’s want niet iedereen heeft dezelfde ervaringen
Script = schema’s over gebeurtenissen die aangeven hoe mensen zich dienen te gedragen in
bepaalde situaties
- Beïnvloed persoonspercepties op 2 manieren:
We zien wat we verwachten te zien
Kennis over de sociale situatie wordt aangewend wanneer iemand zich
gedraagt zoals verwacht dan is dat door de situatie, wanneer iemand zich niet
gedraagt zoals verwacht dan ligt de oorzaak daarvoor bij de persoon zelf
Non-verbaal gedrag = gedrag dat de gevoelens van een persoon signaleert zonder woorden,
maar wel door te kijken naar gelaatsuitdrukkinge, lichaamsstaal en vocale expressie
Facial acting coding system = een systeem waarmee elke menselijke gelaatsexpressie in
kaart wordt gebracht
Attributietheorieën = theorieën die handelen over hoe we bepaalde gebeurtenissen en
gedragingen gaan verklaren
Persoonsattributies (interne attributies) = het toeschrijvenvan het gedrag van een
doelpersoon aan de actor zelf (bv. slecht examen is eigen schuld)
Situationele attributies (externe attributies) = het toeschrijven van het gedrag van een
doelpersoon aan factoren buiten de actor
- Hetzij door een ander persoon (bv. slecht examen omdat prof pik op mij heeft)
- Hetzij door de situatie (bv. slecht examen doordat dag ervoor ziek)
Stabiele attributies = het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren die
niet alleen op dat moment zelf gelden, maar ook in de toekomst aanwezig zijn (bv. geen
aanleg voor een bepaald vak)
Instabiele attributies = het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren die
enkel op dat moment gelden (bv. éénmalige verkoudheid)
Theorie van corresponderende gevolgtrekkingen = theorie die gaat kijken of men een
verband gaat leggen tussen iemand zijn gedraging en een onderliggende karaktertrek
- Afhankelijk van 3 zaken:
Sociale wenselijkheid hoe meer het gedrag van de norm afwijkt, hoe
informatiever
Keuzevrijheid gedrag is informatiever wanneer het uit eigen wil gesteld is,
dan wanneer het verplicht is
, Specificiteit van gunstige effecten hoe meer aantrekkelijke uitkomsten het
gedrag heeft hoe minder informatief
Covariatieprincipe = stelling dat een gedrag wordt toegeschreven aan een oorzaak dat
aanwezig is als het gedrag aanwezig is, en dat niet aanwezig is wanneer het gedrag niet
aanwezig is
Consensusinformatie = informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij andere
actoren
- Hoge consensus geen persoonsattributie
- Lage consensus wel persoonsattributi
Distinctiviteitsinformatie = informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij een
andere stimuli
- Hoge distinctiviteit wel stimulusattributie
- Lage distinctiviteit geen stimulusattributie
Consistentie-informatie = informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij
andere omstandigheden
- Hoge consistentie geen omstandigheidsattributie
- Lage consistentie wel omstandigheidsattributie
Fundamentele attributiefout = de neiging om de impact van de persoonlijke factoren te
overschatten en de rol van de situatie te onderschatten (bv. ouders die er zich over verbazen
dat hun kind thuis super lief is en op school onhandelbaar blijkt te zijn)
Twee-stappen model = alle informatie wordt niet gelijktijdig verwerkt, dit gebeurt in 2
stappen:
- Stap 1: Automatische persoonlijke attributie
- Stap 2: we corrigeren stap 1 door de situatie mee in rekening te nemen waardoor er
eventueel een situationele attributie ontstaat hiervoor hebben we cognitieve
hulpbronnen nodig
Actor-observatoreffect = tendens om het eigen gedrag toe te schrijven aan situationele
oorzaken en dat van anderen aan persoonlijke factoren
- Observatoren gaan kijken naar het verband tussen het gedrag en de onderliggende
karakteristieken
- Actoren kijken vooral naar het verband tussen hun gedrag en situationele factoren
Beschikbaarheidsheuristiek = de neiging om informatie te gebruiken die makkelijk
beschikbaar en oproepbaar is in het geheugen
Valse consensusconflict = neiging om te veronderstellen dat anderen dezelfde mening
hebben als ons
Representativiteitsheurstiek = neiging om je oordeel op een persoon te baseren op de mate
waarin die persoon overeenkomt met de typische kenmerken van de algemene categorie
Primauteitseffect = eerder genoemde informatie heeft meer impact op oordelen dan latere
informatie
H1: Inleiding
Sociale psychologie = wetenschappelijke studie naar de wijze waarop gedachten, gevoelens,
motivaties en gedragingen van mensen beïnvloed worden door de aanwezigheid van anderen
en hoe wij zelf een invloed uitoefenen op hoe andere personen denken, voelen en zich
gedragen
Multi-level analyse = effecten van variabelen worden nagegaan zowel op individueel niveau
als op groepsniveau
Interactionisme = stroming die de nadruk legt op het feit dat er een dynamische
wisselwerking is tussen individuele verschillen en de situatie
- Zwakke situaties beïnvloeden het gedrag matig
- Sterke situaties beïnvoeden het gedrag sterk
Sociologie = het effect van de groep
Sociale psychologie = het effect van de conditie (cross-individuele consistentie)
Persoonlijkheidspsychologie = het effect van de persoonlijkheid (cross-situationele
consistentie)
Klinische psychologie = gaat personen met psychische problemen helpen
Cognitieve psychologie = bestudeert mentale processen die betrekking hebben op
informatieverwerking
Arbeids-en organisatiepsychologie = bestudeert de mens in relatie tot zijn werk
Terugblikvertekening = de neiging van mensen om te overdrijven in de mate waarin ze een
bepaalde uitkomst voorspeld hebben
Theodor Adorno = ‘The Authoritan Personality’
Gordan Allport = ‘The nature of prejudice’
Solomon Asch = Conformiteit en persoonsperceptie
Leon Festinger = sociale vergelijkingstheorie en cognitieve dissonantietheorie
Fritz Heider = attributietheorie en balanstheorie
Carl Hovland = experimenten over attitudes en communicatie
Harold Kelley = attributietheorie en kosten-baten van relaties
Sociale cognitie = handelt over hoe men informatie over onszelf en anderen waarnemen,
onthouden en interpreteren
,Crosscultureel onderzoek = nagaan wat de verschillen zijn tussen verschillende culturen
Multicultureel onderzoek = nagaan wat de gelijkenissen en de verschillen zijn binnen
éénzelfde cultuur
H4: Sociale perceptie
Schema = georganiseerde verzameling van kennis over een stimulus of over een categorie
van stimuli
- Niet iedereen heeft dezelfde schema’s want niet iedereen heeft dezelfde ervaringen
Script = schema’s over gebeurtenissen die aangeven hoe mensen zich dienen te gedragen in
bepaalde situaties
- Beïnvloed persoonspercepties op 2 manieren:
We zien wat we verwachten te zien
Kennis over de sociale situatie wordt aangewend wanneer iemand zich
gedraagt zoals verwacht dan is dat door de situatie, wanneer iemand zich niet
gedraagt zoals verwacht dan ligt de oorzaak daarvoor bij de persoon zelf
Non-verbaal gedrag = gedrag dat de gevoelens van een persoon signaleert zonder woorden,
maar wel door te kijken naar gelaatsuitdrukkinge, lichaamsstaal en vocale expressie
Facial acting coding system = een systeem waarmee elke menselijke gelaatsexpressie in
kaart wordt gebracht
Attributietheorieën = theorieën die handelen over hoe we bepaalde gebeurtenissen en
gedragingen gaan verklaren
Persoonsattributies (interne attributies) = het toeschrijvenvan het gedrag van een
doelpersoon aan de actor zelf (bv. slecht examen is eigen schuld)
Situationele attributies (externe attributies) = het toeschrijven van het gedrag van een
doelpersoon aan factoren buiten de actor
- Hetzij door een ander persoon (bv. slecht examen omdat prof pik op mij heeft)
- Hetzij door de situatie (bv. slecht examen doordat dag ervoor ziek)
Stabiele attributies = het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren die
niet alleen op dat moment zelf gelden, maar ook in de toekomst aanwezig zijn (bv. geen
aanleg voor een bepaald vak)
Instabiele attributies = het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren die
enkel op dat moment gelden (bv. éénmalige verkoudheid)
Theorie van corresponderende gevolgtrekkingen = theorie die gaat kijken of men een
verband gaat leggen tussen iemand zijn gedraging en een onderliggende karaktertrek
- Afhankelijk van 3 zaken:
Sociale wenselijkheid hoe meer het gedrag van de norm afwijkt, hoe
informatiever
Keuzevrijheid gedrag is informatiever wanneer het uit eigen wil gesteld is,
dan wanneer het verplicht is
, Specificiteit van gunstige effecten hoe meer aantrekkelijke uitkomsten het
gedrag heeft hoe minder informatief
Covariatieprincipe = stelling dat een gedrag wordt toegeschreven aan een oorzaak dat
aanwezig is als het gedrag aanwezig is, en dat niet aanwezig is wanneer het gedrag niet
aanwezig is
Consensusinformatie = informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij andere
actoren
- Hoge consensus geen persoonsattributie
- Lage consensus wel persoonsattributi
Distinctiviteitsinformatie = informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij een
andere stimuli
- Hoge distinctiviteit wel stimulusattributie
- Lage distinctiviteit geen stimulusattributie
Consistentie-informatie = informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij
andere omstandigheden
- Hoge consistentie geen omstandigheidsattributie
- Lage consistentie wel omstandigheidsattributie
Fundamentele attributiefout = de neiging om de impact van de persoonlijke factoren te
overschatten en de rol van de situatie te onderschatten (bv. ouders die er zich over verbazen
dat hun kind thuis super lief is en op school onhandelbaar blijkt te zijn)
Twee-stappen model = alle informatie wordt niet gelijktijdig verwerkt, dit gebeurt in 2
stappen:
- Stap 1: Automatische persoonlijke attributie
- Stap 2: we corrigeren stap 1 door de situatie mee in rekening te nemen waardoor er
eventueel een situationele attributie ontstaat hiervoor hebben we cognitieve
hulpbronnen nodig
Actor-observatoreffect = tendens om het eigen gedrag toe te schrijven aan situationele
oorzaken en dat van anderen aan persoonlijke factoren
- Observatoren gaan kijken naar het verband tussen het gedrag en de onderliggende
karakteristieken
- Actoren kijken vooral naar het verband tussen hun gedrag en situationele factoren
Beschikbaarheidsheuristiek = de neiging om informatie te gebruiken die makkelijk
beschikbaar en oproepbaar is in het geheugen
Valse consensusconflict = neiging om te veronderstellen dat anderen dezelfde mening
hebben als ons
Representativiteitsheurstiek = neiging om je oordeel op een persoon te baseren op de mate
waarin die persoon overeenkomt met de typische kenmerken van de algemene categorie
Primauteitseffect = eerder genoemde informatie heeft meer impact op oordelen dan latere
informatie