Het cognitivisme ontstond begin 1900, maar pas rond 1960 kwam het cognitivisme
echt opgang.
Cognitivisme is een reactie op het behaviorisme.
Behaviorisme -> input, deze input deed iets met de leerling (blackbox), output
Bij behaviorisme wist men niet wat er in deze blackbox (dus wat er met of bij de
leerling gebeurt en waarom en hoe iemand leert) gebeurt.
Het cognitivisme gaat over van hoe leert iemand en hoe leert iemand het beste.
Twee grondleggers van het cognitivisme:
- Brunner -> de eerste
- Ausubel -> reactie op Brunner
Eerste grondlegger cognitivisme: Brunner (1915 – 2016)
- Brunner ziet de mens als actieve informatieverwerker (lerende persoon is zelf
de informatie aan het verwerken en komt zelf tot leren)
Brunner onderscheidt 3 representatievormen:
1. Enactieve representatievorm -> hierbij handelt een leerling met concreet
materiaal (bv. Een taart en de leerling heeft geleerd in hoeveel stukken hij/zij
de taart kan verdelen)
2. Iconische representatievorm -> het concreet materiaal is weg en het materiaal
wordt weergegeven in een tekening (bv. In plaats van de taart in stukken te
snijden heb je nu een tekening van een taart en moet je uittekenen in hoeveel
stukken de taart kan verdelen)
3. Symbolische representatievorm -> alleen in symbolen weergegeven (cijfers)
Je kan een combinatie gebruiken van de verschillende representatievormen van
Brunner.
Hier worden alle 3 de representatievormen
gebruikt.
Enactieve representatievorm -> de handen
geven het getal weer
Iconische representatievorm -> de stippen
en de dobbelstenen
Symbolische representatievorm -> cijfers
Bijvoorbeeld: Bij biologie moet men een hart snijden en daarna het hart uittekenen en
de verschillende soorten onderdelen benoemen. Het hart snijden is enactieve
representatievorm en het hart uittekenen met de verschillende onderdelen is het
iconische representatievorm.