Hoofdstuk 1
Er vielen bommen, pip werd wakker gemaakt en ze moesten zo snel
mogelijk weg. ze woonde niet meer waar ze eerst woonde, want ze
dachten dat het hier veiliger was. Ze wilde haar kat thomasina
hebben, maar die was weggelopen. Er was een bom gevallen, maar
die ging niet af, maar die kon uiteindelijk wel afgaan. In de kroeg
konden ze schuilen. Pip had muizen, maar niemand vond dat goed.
Als de bommen vielen schuilden ze in de kelders. Toen pip weer
wakker werd ging ze naar buiten en zag dat de bom nog steeds
explosief was. Ze zag haar kat, maar niemand ging hem halen. Ze
ontmoette een jongen Harry, hij had een paard. Hij zei tegen pip dat
hij haar als het donker is zal zien buiten.
Hoofdstuk 2
Pip had nog steeds niet haar kat terug, maar haar moeder stelde haar
gerust, hij zal wel terugkomen. De bom was nog steeds niet
weggehaald. Ze mochten nog een nacht blijven bij mrs Jarvis. Als de
bom zal ontploffen zouden ze dakloos worden. Pip moest haar
muizen opbergen voor mrs Jarvis. Pip’s moeder had gevraagd aan de
soldaat over de bom, hij zal de volgende dag worden onderzocht. Pip
moest een krant gaan halen en mocht ook wat snoep kopen. Er
waren mensen die om de bom vroegen aan haar en over haar vader,
hij is een bommenwerper piloot. Ze zochten hulp en vroegen om
haar moeder. Mrs jarvis gaf een high tea, Pip kon niet veel
wegkrijgen. Ze was een brief aan het schrijven voor haar vader en
haar moeder ging het nieuws kijken en pip ging naar bed. Later ging
ze uit haar bed en naar buiten om Harry te ontmoeten. Ze vonden
pip’s kat en Harry’s geit (die gestolen was). De soldaten zagen hem
en rende achter hen aan. Toen ze weg waren gerend was er een
enorme explosie.