AntwoordenOpdracht: Cellen, Weefsels & Organen
1. Wat is een cel = kleinste zelfstandig functionerende eenheid van het menselijk lichaam
2. Welke kenmerken bezit de cel = bevat protoplasma; in de cel vindt voortdurend
stofwisseling plaats
3. Waaruit bestaat een cel = cytoplasma, celkern
4. Wat is cytoplasma = celinhoud behalve de kern
5. Uit welke onderdelen bestaat cytoplasma = celmembraam, celorganellen, centraal lichaam,
1. vacuolen, bolletjes vet, overig protoplasma
6. Waarvoor zijn nieuwe cellen noodzakelijk = voor de stofwisseling, de groei, de voortplanting
en de vervanging van afgestorven cellen
7. Beschrijf de mitose = de 'normale' celdeling, waarbij elke nieuwe cel hetzelfde aantal
1. chromosomen bezit als de oorspronkelijke cel. De chromosomen
2. verdubbelen zich, gaan paarsgewijs op een rij liggen, waarna de
3. spoeldraden de chromosomen naar 2 polen trekken. Vervolgens
snoert de
4. celwand zich in, zodat er 2 cellen ontstaan met hetzelfde aantal
5. chromosomen als de moedercel.
8. Beschrijf de meiose = een bepaalde deling van cellen, waarbij de geslachtscellen (zaadcellen
en
1. eicel) worden gevormd en het aantal chromosomen wordt
gehalveerd
9. Wat is het verschil tussen mitose en meiose = bij mitose blijft aantal chromosomen gelijk. Bij
1. meiose wordt dit tot op de helft
teruggebracht
10. Waarom noemt men de meiose reductiedeling = omdat het aantal chromosomen in de
a. voortplantingscel tot de helft is
teruggebracht.
11. Wat is een weefsel = groep cellen met dezelfde taak
12. Welke soorten weefsels ken je = epitheelweefsel, steunweefsel, spierweefsel,
zenuwweefsel
13. Wat is de functie van het epitheel = het bedekken en beschermen van de onderliggende
i. weefsels of orgaanstructuren
14. Noem 3 soorten steunweefsel = bindweefsel, kraakbeenweefsel, beenweefsel
15. Wat is een orgaan = een samenstel van verschillende weefselsoorten met een specifieke
functie
16. Noem 4 voorbeelden van organen en hun functie = lever: spijsvertering, nieren:
uitscheiding,
a. hart: bloedsomloop, longen:
ademhaling
1. Wat is een cel = kleinste zelfstandig functionerende eenheid van het menselijk lichaam
2. Welke kenmerken bezit de cel = bevat protoplasma; in de cel vindt voortdurend
stofwisseling plaats
3. Waaruit bestaat een cel = cytoplasma, celkern
4. Wat is cytoplasma = celinhoud behalve de kern
5. Uit welke onderdelen bestaat cytoplasma = celmembraam, celorganellen, centraal lichaam,
1. vacuolen, bolletjes vet, overig protoplasma
6. Waarvoor zijn nieuwe cellen noodzakelijk = voor de stofwisseling, de groei, de voortplanting
en de vervanging van afgestorven cellen
7. Beschrijf de mitose = de 'normale' celdeling, waarbij elke nieuwe cel hetzelfde aantal
1. chromosomen bezit als de oorspronkelijke cel. De chromosomen
2. verdubbelen zich, gaan paarsgewijs op een rij liggen, waarna de
3. spoeldraden de chromosomen naar 2 polen trekken. Vervolgens
snoert de
4. celwand zich in, zodat er 2 cellen ontstaan met hetzelfde aantal
5. chromosomen als de moedercel.
8. Beschrijf de meiose = een bepaalde deling van cellen, waarbij de geslachtscellen (zaadcellen
en
1. eicel) worden gevormd en het aantal chromosomen wordt
gehalveerd
9. Wat is het verschil tussen mitose en meiose = bij mitose blijft aantal chromosomen gelijk. Bij
1. meiose wordt dit tot op de helft
teruggebracht
10. Waarom noemt men de meiose reductiedeling = omdat het aantal chromosomen in de
a. voortplantingscel tot de helft is
teruggebracht.
11. Wat is een weefsel = groep cellen met dezelfde taak
12. Welke soorten weefsels ken je = epitheelweefsel, steunweefsel, spierweefsel,
zenuwweefsel
13. Wat is de functie van het epitheel = het bedekken en beschermen van de onderliggende
i. weefsels of orgaanstructuren
14. Noem 3 soorten steunweefsel = bindweefsel, kraakbeenweefsel, beenweefsel
15. Wat is een orgaan = een samenstel van verschillende weefselsoorten met een specifieke
functie
16. Noem 4 voorbeelden van organen en hun functie = lever: spijsvertering, nieren:
uitscheiding,
a. hart: bloedsomloop, longen:
ademhaling