Phrasal verbs
[B1] Een phrasal verb is een vaste combinatie van woorden die samen als werkwoord worden
gebruikt. Je maakt een phrasal verb door een preposition (voorzetsel), adverb (bijwoord) of een
combinatie van die twee achter een werkwoord te zetten. Elke combinatie heeft een eigen
betekenis.
De volgende woorden zie je vaak bij phrasal verbs: in, out, on, off, up, down, back, away, for,
forward, over, by, (a)round, along, ahead en across.
[B1] look (kijken) + out (uit) = look out (oppassen, uitkijken voor)
look (kijken) + after (na) = look after (zorgen voor)
get (krijgen) + up (omhoog) = get up (opstaan)
[B1] Sommige phrasal verbs hebben geen lijdend voorwerp nodig, andere juist wel.
Phrasal verb zonder lijdend voorwerp: Phrasal verb met lijdend voorwerp:
I try to work out every day. She put on fresh make-up for the interview.
These guests didn't check in. They called off the meeting because of the storm.
Phrasal verbs die geen lijdend voorwerp krijgen, vormen nog steeds goede zinnen als je alleen een
onderwerp en een phrasal verb gebruikt. 'I work out' is een prima zin. Hetzelfde geldt voor 'They
checked in'.
[B1] Voorbeelden van phrasal verbs zonder
lijdend voorwerp zijn:
dress up (mooi aankleden) give up (opgeven) hang on (volhouden)
eat out (uit eten gaan) go back to (teruggaan) hold on (wachten)
log in/out (in-
fall down (ergens vanaf vallen) go out (uitgaan)
/uitloggen)
get up (opstaan) grow up (opgroeien) show up (opdagen)
give in (toegeven) hang out (tijd doorbrengen) take off (vertrekken)
get along/on (met elkaar op
[B2] break down (kapot gaan) pass out (flauwvallen)
kunnen schieten)
come over (langskomen) get away (ontsnappen) throw up (overgeven)
drop by ((even) langskomen) go ahead (doorgaan) watch out (oppassen)
wear off (wegtrekken,
fall apart (uit elkaar vallen) run out (opraken)
slijten)
[B1] Phrasal verbs mét een lijdend voorwerp hebben dit lijdend voorwerp nodig om volledig te zijn.
Het zinsdeel 'She put on' (uit de zin, 'She put on fresh make-up for the interview') is geen complete
zin. Je moet aangeven wat ze op deed (fresh make-up).
[B1] Voorbeelden van phrasal verbs met
lijdend voorwerp zijn:
apply for (solliciteren naar) hold on to (vasthouden, bewaren) pay back (terugbetalen)
deal with (omgaan met) look after (zorgen voor) put down (neerleggen)
[B1] Een phrasal verb is een vaste combinatie van woorden die samen als werkwoord worden
gebruikt. Je maakt een phrasal verb door een preposition (voorzetsel), adverb (bijwoord) of een
combinatie van die twee achter een werkwoord te zetten. Elke combinatie heeft een eigen
betekenis.
De volgende woorden zie je vaak bij phrasal verbs: in, out, on, off, up, down, back, away, for,
forward, over, by, (a)round, along, ahead en across.
[B1] look (kijken) + out (uit) = look out (oppassen, uitkijken voor)
look (kijken) + after (na) = look after (zorgen voor)
get (krijgen) + up (omhoog) = get up (opstaan)
[B1] Sommige phrasal verbs hebben geen lijdend voorwerp nodig, andere juist wel.
Phrasal verb zonder lijdend voorwerp: Phrasal verb met lijdend voorwerp:
I try to work out every day. She put on fresh make-up for the interview.
These guests didn't check in. They called off the meeting because of the storm.
Phrasal verbs die geen lijdend voorwerp krijgen, vormen nog steeds goede zinnen als je alleen een
onderwerp en een phrasal verb gebruikt. 'I work out' is een prima zin. Hetzelfde geldt voor 'They
checked in'.
[B1] Voorbeelden van phrasal verbs zonder
lijdend voorwerp zijn:
dress up (mooi aankleden) give up (opgeven) hang on (volhouden)
eat out (uit eten gaan) go back to (teruggaan) hold on (wachten)
log in/out (in-
fall down (ergens vanaf vallen) go out (uitgaan)
/uitloggen)
get up (opstaan) grow up (opgroeien) show up (opdagen)
give in (toegeven) hang out (tijd doorbrengen) take off (vertrekken)
get along/on (met elkaar op
[B2] break down (kapot gaan) pass out (flauwvallen)
kunnen schieten)
come over (langskomen) get away (ontsnappen) throw up (overgeven)
drop by ((even) langskomen) go ahead (doorgaan) watch out (oppassen)
wear off (wegtrekken,
fall apart (uit elkaar vallen) run out (opraken)
slijten)
[B1] Phrasal verbs mét een lijdend voorwerp hebben dit lijdend voorwerp nodig om volledig te zijn.
Het zinsdeel 'She put on' (uit de zin, 'She put on fresh make-up for the interview') is geen complete
zin. Je moet aangeven wat ze op deed (fresh make-up).
[B1] Voorbeelden van phrasal verbs met
lijdend voorwerp zijn:
apply for (solliciteren naar) hold on to (vasthouden, bewaren) pay back (terugbetalen)
deal with (omgaan met) look after (zorgen voor) put down (neerleggen)