Hogeschool taaltoets Nederlands
Hoe vind je de persoonsvorm? ³ ⁴
n een zin kunnen een of meer werkwoorden staan en die werkwoorden kunnen allemaal
verschillende vormen hebben: infinitief, voltooid deelwoord, onvoltooid deelwoord, bijvoeglijk
gebruikt voltooid deelwoord of persoonsvorm.
Voor de spelling van een werkwoord is het van belang te weten met welke vorm je te maken hebt.
Een van de belangrijkste vormen is de persoonsvorm. De persoonsvorm geeft aan in welke tijd de zin
staat en welk getal (enkelvoud of meervoud) het onderwerp heeft. Verander je de tijd van de zin of
het getal van het onderwerp, dan verandert alleen de persoonsvorm mee, de andere werkwoorden
blijven hetzelfde.
De persoonsvorm kun je op de volgende manieren vinden:
• Verander de tijd van de zin (van verleden tijd naar tegenwoordige tijd of andersom) en ga na
welk werkwoord er mee verandert.
Ze wil ervaring opdoen in de horeca.
Ze wilde ervaring opdoen in de horeca.
De agent vermijdt de verwarde vrouw recht aan te kijken.
De agent vermeed de verwarde vrouw recht aan te kijken.
Om binnen te komen in die club moet je je aan een bepaalde dresscode houden.
Om binnen te komen in die club moest je je aan een bepaalde dresscode houden.
De voornaamste reden om nepnieuws te verspreiden is om geld te verdienen.
De voornaamste reden om nepnieuws te verspreiden was om geld te verdienen.
• Verander het onderwerp van de zin in het meervoud of enkelvoud en ga na welk werkwoord
er mee verandert.
De topsporter sprint zich een weg naar de finale.
De topsporters sprinten zich een weg naar de finale.
Mijn zussen koken het liefst voor een groot gezelschap.
Mijn zus kookt het liefst voor een groot gezelschap.
De accountmanager denkt dat hij zich van alles kan veroorloven.
De accountmanagers denken dat zij zich van alles kunnen veroorloven.
Grappig genoeg bleken haar honden die ochtend zelf naar huis te zijn gewandeld.
Grappig genoeg bleek haar hond die ochtend zelf naar huis te zijn gewandeld.
Hoe vind je de persoonsvorm? ³ ⁴
n een zin kunnen een of meer werkwoorden staan en die werkwoorden kunnen allemaal
verschillende vormen hebben: infinitief, voltooid deelwoord, onvoltooid deelwoord, bijvoeglijk
gebruikt voltooid deelwoord of persoonsvorm.
Voor de spelling van een werkwoord is het van belang te weten met welke vorm je te maken hebt.
Een van de belangrijkste vormen is de persoonsvorm. De persoonsvorm geeft aan in welke tijd de zin
staat en welk getal (enkelvoud of meervoud) het onderwerp heeft. Verander je de tijd van de zin of
het getal van het onderwerp, dan verandert alleen de persoonsvorm mee, de andere werkwoorden
blijven hetzelfde.
De persoonsvorm kun je op de volgende manieren vinden:
• Verander de tijd van de zin (van verleden tijd naar tegenwoordige tijd of andersom) en ga na
welk werkwoord er mee verandert.
Ze wil ervaring opdoen in de horeca.
Ze wilde ervaring opdoen in de horeca.
De agent vermijdt de verwarde vrouw recht aan te kijken.
De agent vermeed de verwarde vrouw recht aan te kijken.
Om binnen te komen in die club moet je je aan een bepaalde dresscode houden.
Om binnen te komen in die club moest je je aan een bepaalde dresscode houden.
De voornaamste reden om nepnieuws te verspreiden is om geld te verdienen.
De voornaamste reden om nepnieuws te verspreiden was om geld te verdienen.
• Verander het onderwerp van de zin in het meervoud of enkelvoud en ga na welk werkwoord
er mee verandert.
De topsporter sprint zich een weg naar de finale.
De topsporters sprinten zich een weg naar de finale.
Mijn zussen koken het liefst voor een groot gezelschap.
Mijn zus kookt het liefst voor een groot gezelschap.
De accountmanager denkt dat hij zich van alles kan veroorloven.
De accountmanagers denken dat zij zich van alles kunnen veroorloven.
Grappig genoeg bleken haar honden die ochtend zelf naar huis te zijn gewandeld.
Grappig genoeg bleek haar hond die ochtend zelf naar huis te zijn gewandeld.