Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Doelstelling van dit boek
In de klinische psychodiagnostiek wordt informatie verzameld over die cliënt en diens omgeving met
het oog op het ontwerpen van de meest adequate aanpak van de problemen die door de cliënt zelf
of door diens omgeving zijn gesignaleerd.
Drieledige doelstelling
- Het bieden van een leidraad aan de hand waarvan academisch gevormde docenten hun
studenten kunnen scholen in de diagnostische besluitvorming.
- Het voorlichten van de praktiserende diagnosticus over de wijze waarop momenteel
aankomende collega’s opgeleid worden.
- Een hulpmiddel verschaffen aan de praktiserende diagnosticus dat ingezet kan worden om
de kwaliteit van de diagnostische besluitvorming in de eigen werkkring door te lichten en
eventueel aan te passen.
1.2 De noodzaak van opleiding
We spreken van een ongewapend oordeel wanneer een diagnosticus oordelen uitspreekt zonder
expliciet een beroep te doen op methodologische principes of systematische procedures die kunnen
voorkomen dat er foute en onterechte vertekeningen in het oordeel optreden.
Opleiding is noodzakelijk bij diagnostiek, vanwege
- Kwaliteit van het ongewapende oordeel
- Ontwikkelingen in besliskunde
- Ontwikkelen van prescriptieve kaders ten behoeve van de professionele diagnostiek
1.3 Pretenties en beperkingen
De pretentie van de handleiding is te laten zien dat de diagnostische besluitvorming in de praktijk op
een wetenschappelijk-professioneel verantwoorde wijze kan worden doorlopen. De handleiding is
beperkt tot het besluitvormingsaspect van de diagnostiek.
Hoofdstuk 2 Uitgangspunten
2.1 Wetenschappelijke diagnostiek
Wanneer we ons probleemoplossend vermogen voor persoonlijkheids- en gedragsproblemen
ondersteunen met wetenschappelijk-empirische kennis, spreken we van wetenschappelijke
diagnostiek.
De Groot sprak over een psychodiagnostische cyclus waarin de algemene denkschema’s van
inductie, deductie en toetsing toegepast worden. Samen met observatie en evaluatie zijn dit de fasen
van de empirische cyclus.
Diagnostiek, enerzijds als toepassingsgebied van de gedragswetenschap en anderzijds als onderdeel
van hulpverlening, vraag een aantal denk- en doe-activiteiten die niet of zelden tot het
gedragsrepertoire van de wetenschappelijke onderzoeker behoren.
Volgens Van Striens is een diagnosticus wetenschappelijker naarmate hij
- Explicieter werkt met theorieën en de verschillende theorieniveaus duidelijker met elkaar in
verband brengt
- Er zich bewust rekenschap van geeft in welke gevallen hij wel en in welke gevallen hij niet
voor een bepaalde theorie kiest
1