Bij kinderen en jeugdigen
Jakop Rigter en Malou van Hintum
Hoofdstukken: 1,2,3,7,8,11,12,13,14 & 16
1. Je probeert de ene stoornis te onderscheiden van de andere, dit
noem je:
A. Differentiaaldiagnostiek
B. Comorbiditeit
C. Epidemiologie
2. Wat betekent DSM-5?
A. Diagnostic Standard of Manuel Disorder
B. Diagnostic and Statistical Manuel of Mental Disorder
C. Diagnostic Standard of Mental Disorder
3. Waar valt een sociale fobie onder in de DSM-5?
A. As 5
B. As 1
C. As 4
4. Bas is een jongen van 12 jaar. Op school heeft hij moeite met het
concentreren op zijn schooltaken. Dit komt omdat Bas ADHD heeft.
Ook word Bas op school vaak boos. Hij toont dan agressief gedrag.
Zijn ouders hebben hem hierop laten testen. Uit de test is gekomen
dat Bas CD heeft.
Waar valt Bas onder?
A. Dynamisch gezichtspunt
B. Differentiaal diagnostiek
C. Comorbiditeit
5. Door wie word in een psychiatrisch onderzoek de participerende
observatie uitgevoerd.
A. Psychiater
B. SPH’er
C. Psycholoog
6. Een ervaringsdeskundige geeft voorlichting aan een school over
comazuipen. Wat voor vorm van preventie is dit?
A. Secundaire preventie
B. Tertiaire preventie
C. Primaire preventie
7. Wie kunnen er goed manipuleren?
A. Mensen met ODD
B. Mensen met CD
C. Mensen met ADHD
1