Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v. Chr. – 500 n. Chr.)
2.1
KA: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de
Griekse stadsstaat
Staat: een gebied met vaste grenzen en een eigen bestuur
Stadstaat (polis):
- “Stad” met omringend platteland
- Klein in oppervlakte en inwonersaantal
- Autarkisch --> zelfvoorzienend
- Autonoom --> eigen bestuur en regels/wetten
Iedere polis had een eigen staatsvorm:
- Monarchie: staatsvorm waarbij de macht legitiem bij één persoon ligt
- Tirannie: staatsvorm waarbij de macht niet legitiem bij één persoon ligt
- Aristocratie: regering van de adel (aristocraten)
- Oligarchie: regering van een kleine groep mensen die niet per se van adel zijn
- Democratie: regering door de bevolking met burgerrecht
De eerste stadsstaat die een democratie werd was Athene. Je moest Atheens burgerschap hebben
om mee te mogen doen aan de democratie. Burgerschap betekent: het feit dat je burger bent met
alle politieke en maatschappelijke rechten die daarbij horen. Alleen mannen hadden het
burgerschap. Vrouwen, slaven, immigranten etc. werden niet gezien als staatsburger.
Filosofen: mensen die de wereld proberen te verklaren op een rationele manier. Ze geloofden niet
meer dat de Goden alles deden, maar gingen zelf nadenken. Hierdoor ontstond de wetenschap: het
opdoen van kennis/theorie op basis van experimenten, waarneming en gebruik van verstand. Waar
hielden zij zich mee bezig?
- Natuurwetenschappen
- Wiskunde
- Geneeskunde
- Politiek
Het hellenisme: de verspreiding van de Griekse cultuur naar het oosten vanaf de tijd van Alexander
de Grote.
2.2
KA: De ontwikkeling van het jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdiensten
Het jodendom en christendom zijn de eerste monotheïstische godsdiensten. “monos” = één,
“theos”= god.
Joden en christenen nemen een aparte plaats in, in de polytheïstische wereld van het hellenisme en
van de Romeinen.
2.1
KA: De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de
Griekse stadsstaat
Staat: een gebied met vaste grenzen en een eigen bestuur
Stadstaat (polis):
- “Stad” met omringend platteland
- Klein in oppervlakte en inwonersaantal
- Autarkisch --> zelfvoorzienend
- Autonoom --> eigen bestuur en regels/wetten
Iedere polis had een eigen staatsvorm:
- Monarchie: staatsvorm waarbij de macht legitiem bij één persoon ligt
- Tirannie: staatsvorm waarbij de macht niet legitiem bij één persoon ligt
- Aristocratie: regering van de adel (aristocraten)
- Oligarchie: regering van een kleine groep mensen die niet per se van adel zijn
- Democratie: regering door de bevolking met burgerrecht
De eerste stadsstaat die een democratie werd was Athene. Je moest Atheens burgerschap hebben
om mee te mogen doen aan de democratie. Burgerschap betekent: het feit dat je burger bent met
alle politieke en maatschappelijke rechten die daarbij horen. Alleen mannen hadden het
burgerschap. Vrouwen, slaven, immigranten etc. werden niet gezien als staatsburger.
Filosofen: mensen die de wereld proberen te verklaren op een rationele manier. Ze geloofden niet
meer dat de Goden alles deden, maar gingen zelf nadenken. Hierdoor ontstond de wetenschap: het
opdoen van kennis/theorie op basis van experimenten, waarneming en gebruik van verstand. Waar
hielden zij zich mee bezig?
- Natuurwetenschappen
- Wiskunde
- Geneeskunde
- Politiek
Het hellenisme: de verspreiding van de Griekse cultuur naar het oosten vanaf de tijd van Alexander
de Grote.
2.2
KA: De ontwikkeling van het jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdiensten
Het jodendom en christendom zijn de eerste monotheïstische godsdiensten. “monos” = één,
“theos”= god.
Joden en christenen nemen een aparte plaats in, in de polytheïstische wereld van het hellenisme en
van de Romeinen.