Uitwerking Algemene Rechtswetenschap: Goederenrecht
Hoofdstuk 7 Goederenrecht blz. 227 t/m 273
7.1 Het eigendom blz. 228
‘Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben’ (art. 5:1
BW). Er is door de wetgeving geen definitie van eigendomsrecht gegeven, omdat dit volgens
de wetgever zeer moeilijk is vanwege de (in principe) onbeperktheid van het recht en tevens
kan men stellen dat het geven van een definitie overbodig is, aangezien iedereen weet wat
er met eigendomsrecht bedoeld wordt. Uit art. 5:1 BW zijn wel twee kenmerken van het
eigendomsrecht af te leiden: het is het meest omvattende recht en het kan slechts bestaan
ten aanzien van een zaak. Uit de term ‘het meest omvattend’ valt op te maken dat het
eigendomsrecht in verhouding tot andere rechten het omvangrijkste recht is. Alle andere
zakelijke rechten zijn eruit afgeleid en vormen elk slechts een deel daarvan. Het
eigendomsrecht wordt soms ook wel ‘moederrecht’ genoemd en de rechten die eruit zijn
afgeleid, worden ‘beperkte rechten’ genoemd. Het eigendomsrecht kan slechts betrekking
hebben op een zaak. Een zaak is volgens de definitie van art. 3:2 BW een voor menselijke
beheersing vatbaar stoffelijk object. Het belangrijkste onderscheid in zaken is dat tussen
roerende zaken en onroerende zaken. In art. 3:3 lid 1 BW heeft de wetgever nauwkeurig
omschreven welke zaken onroerend zijn: ‘onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen
delfstoffen, de met de grond verenigbare beplantingen, alsmede de gebouwen en werken
die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met
andere gebouwen of werken’. Roerende zaken zijn daaruit volgend alle zaken die niet
onroerend zijn. Het is niet altijd even duidelijk of een zaak roerend dan wel onroerend is
(arrest Portacabin). Volgens art. 5:3 BW is de eigenaar van een zaak tevens eigenaar van al
haar bestanddelen. Art. 3:4 lid 1 BW omschrijft een bestanddeel als al hetgeen volgens
verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt (bijv. afstandsbediening van en tv). Niet
altijd is duidelijk of een deel van een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel
daarvan is. Het daarvoor beslissende criterium is de verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1 BW).
Daarnaast valt volgens art. 3:4 lid 2 BW onder een bestanddeel in elk geval een zaak die met
een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden
zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een van beide zaken. Dat is
het criterium van de zaaksbeschadiging. Voorbeeld is de centrale verwarmingsinstallatie met
radiatoren van een woonhuis. Deze is bestanddeel omdat verwijdering ervan uit het huis
niet zonder schade van betekenis kan geschieden. De beide criteria zijn niet altijd even
eenvoudig toe te passen. De rechter zal steeds in elk aan hem voorgelegd geval moeten
beslissen of volgens de verkeersopvatting en/of volgens het criterium van zaaksbeschadiging
een deel van een zaak als een bestanddeel daarvan moet worden beschouwd.
7.1.1 Bevoegdheden van de eigenaar
Art. 5:1 lid 2 BW bepaalt dat het de eigenaar vrijstaat van zin zaak gebruik te maken. Dit
zogenoemde gebruiksrecht valt uiteen in een genotsrecht en een beschikkingsrecht.
Hoofdstuk 7 Goederenrecht blz. 227 t/m 273
7.1 Het eigendom blz. 228
‘Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben’ (art. 5:1
BW). Er is door de wetgeving geen definitie van eigendomsrecht gegeven, omdat dit volgens
de wetgever zeer moeilijk is vanwege de (in principe) onbeperktheid van het recht en tevens
kan men stellen dat het geven van een definitie overbodig is, aangezien iedereen weet wat
er met eigendomsrecht bedoeld wordt. Uit art. 5:1 BW zijn wel twee kenmerken van het
eigendomsrecht af te leiden: het is het meest omvattende recht en het kan slechts bestaan
ten aanzien van een zaak. Uit de term ‘het meest omvattend’ valt op te maken dat het
eigendomsrecht in verhouding tot andere rechten het omvangrijkste recht is. Alle andere
zakelijke rechten zijn eruit afgeleid en vormen elk slechts een deel daarvan. Het
eigendomsrecht wordt soms ook wel ‘moederrecht’ genoemd en de rechten die eruit zijn
afgeleid, worden ‘beperkte rechten’ genoemd. Het eigendomsrecht kan slechts betrekking
hebben op een zaak. Een zaak is volgens de definitie van art. 3:2 BW een voor menselijke
beheersing vatbaar stoffelijk object. Het belangrijkste onderscheid in zaken is dat tussen
roerende zaken en onroerende zaken. In art. 3:3 lid 1 BW heeft de wetgever nauwkeurig
omschreven welke zaken onroerend zijn: ‘onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen
delfstoffen, de met de grond verenigbare beplantingen, alsmede de gebouwen en werken
die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met
andere gebouwen of werken’. Roerende zaken zijn daaruit volgend alle zaken die niet
onroerend zijn. Het is niet altijd even duidelijk of een zaak roerend dan wel onroerend is
(arrest Portacabin). Volgens art. 5:3 BW is de eigenaar van een zaak tevens eigenaar van al
haar bestanddelen. Art. 3:4 lid 1 BW omschrijft een bestanddeel als al hetgeen volgens
verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt (bijv. afstandsbediening van en tv). Niet
altijd is duidelijk of een deel van een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel
daarvan is. Het daarvoor beslissende criterium is de verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1 BW).
Daarnaast valt volgens art. 3:4 lid 2 BW onder een bestanddeel in elk geval een zaak die met
een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden
zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een van beide zaken. Dat is
het criterium van de zaaksbeschadiging. Voorbeeld is de centrale verwarmingsinstallatie met
radiatoren van een woonhuis. Deze is bestanddeel omdat verwijdering ervan uit het huis
niet zonder schade van betekenis kan geschieden. De beide criteria zijn niet altijd even
eenvoudig toe te passen. De rechter zal steeds in elk aan hem voorgelegd geval moeten
beslissen of volgens de verkeersopvatting en/of volgens het criterium van zaaksbeschadiging
een deel van een zaak als een bestanddeel daarvan moet worden beschouwd.
7.1.1 Bevoegdheden van de eigenaar
Art. 5:1 lid 2 BW bepaalt dat het de eigenaar vrijstaat van zin zaak gebruik te maken. Dit
zogenoemde gebruiksrecht valt uiteen in een genotsrecht en een beschikkingsrecht.