Samenvatting Sociologie Deel 3 Bouwwerken van de sociologie
Inleiding
1. microsociologie:
individuen en hun sociale relaties vormen het onderzoeksobject
2. mesoniveau:
elk individueel handelen vind plaats in een ruimere sociale context netwerken van
relaties vormen de maatschappelijke kaders waarbinnen individuen samenleven
3. macroniveau:
het brede sociaal-economische gebeuren waarbinnen de maatschappelijke
ontwikkeling en veranderingen afspelen (postmoderne samenleving,
verzorgingsstaat,...)
Hoofdstuk 1: Institutionalisering en instituties
Institutionalisering = het fundamenteel-antropologisch proces, waarin individuele menselijke
handelingen geobjectiveerd worden tot vaste, min of meer normatieve
handelingspatronen (gewoonten, zeden en gebruiken, wetten en
instituties) die als collectieve vormen onafhankelijk van handelende
individuen kunnen blijven voortbestaan en als dusdanig de individuele
mens enerzijds dwingen om bepaalde handelingen te verrichten en
hem anderzijds de voor zijn handelen onmisbare sociale stabiliteit en
zekerheid verschaffen.
Onderdelen van de definitie:
- objectivering van de handelingen
institutionalisering gebeurt nooit op 1 moment, maar ontwikkeld zich in de tijd.
Het proces waarin handelingen geobjectiveerd worden tot handelingspatronen die
buiten het individu liggen. Dit gebeurt vooral tijdens het leerproces van het kind.
als je ze verinnerlijkt hebt, blijft die werkelijkheid objectief omdat je ze via de
opvoeding meekrijgt.
dit zijn wijzen van handelen, denken en voelen die de bijzondere eigenschappen
bezitten dat zij buiten het individueel bewustzijn bestaan.
- handelingspatronen zijn collectieve vormen die onafhankelijk van handelende individuen
kunnen blijven voortbestaan.
durkheim: normen zijn sociale feiten en ze worden bepaald door groeperingen. De
inhoud van normen wordt door de samenleving vastgelegd.
collectieve handelingen dwingen de mens om bepaalde handelingen te verrichten.
- Sociale stabiliteit
zorgt er voor dat men als lid van een samenleving relatief weinig beslissingen dient te
nemen.
Inleiding
1. microsociologie:
individuen en hun sociale relaties vormen het onderzoeksobject
2. mesoniveau:
elk individueel handelen vind plaats in een ruimere sociale context netwerken van
relaties vormen de maatschappelijke kaders waarbinnen individuen samenleven
3. macroniveau:
het brede sociaal-economische gebeuren waarbinnen de maatschappelijke
ontwikkeling en veranderingen afspelen (postmoderne samenleving,
verzorgingsstaat,...)
Hoofdstuk 1: Institutionalisering en instituties
Institutionalisering = het fundamenteel-antropologisch proces, waarin individuele menselijke
handelingen geobjectiveerd worden tot vaste, min of meer normatieve
handelingspatronen (gewoonten, zeden en gebruiken, wetten en
instituties) die als collectieve vormen onafhankelijk van handelende
individuen kunnen blijven voortbestaan en als dusdanig de individuele
mens enerzijds dwingen om bepaalde handelingen te verrichten en
hem anderzijds de voor zijn handelen onmisbare sociale stabiliteit en
zekerheid verschaffen.
Onderdelen van de definitie:
- objectivering van de handelingen
institutionalisering gebeurt nooit op 1 moment, maar ontwikkeld zich in de tijd.
Het proces waarin handelingen geobjectiveerd worden tot handelingspatronen die
buiten het individu liggen. Dit gebeurt vooral tijdens het leerproces van het kind.
als je ze verinnerlijkt hebt, blijft die werkelijkheid objectief omdat je ze via de
opvoeding meekrijgt.
dit zijn wijzen van handelen, denken en voelen die de bijzondere eigenschappen
bezitten dat zij buiten het individueel bewustzijn bestaan.
- handelingspatronen zijn collectieve vormen die onafhankelijk van handelende individuen
kunnen blijven voortbestaan.
durkheim: normen zijn sociale feiten en ze worden bepaald door groeperingen. De
inhoud van normen wordt door de samenleving vastgelegd.
collectieve handelingen dwingen de mens om bepaalde handelingen te verrichten.
- Sociale stabiliteit
zorgt er voor dat men als lid van een samenleving relatief weinig beslissingen dient te
nemen.