Biologie – CLASSIFICATIE
1) Evolutie leidt tot biodiversiteit
De eigenschappen van een organisme worden bepaald door hun DNA (= het erfelijk materiaal).
DNA kun je opdelen in stukjes: de genen. Elk van die genen is verantwoordelijk voor één of meerdere
eigenschappen. Alle genen samen bepalen alle eigenschappen.
Tijdens de voortplanting worden de genen van de ouders doorgegeven aan de nakomelingen. Toch kan de
nakomeling andere eigenschappen bezitten. De nieuwe eigenschappen kunnen op twee manieren ontstaan:
Elke ouder geeft de helft van de genen door. De nakomeling heeft een nieuwe combinatie van
genen, die mogelijk nieuwe eigenschappen geven.
Er kunnen ook nieuwe eigenschappen ontstaan door mutatie. Gemuteerde genen komen er door
toevallige veranderingen in het DNA.
De nieuwe eigenschappen kunnen de overlevingskansen van de nakomeling vergroten of verkleinen. Organismen
die door nieuwe eigenschappen minder goed zijn aangepast, hebben minder kans om te overleven en dus ook
minder kans om zich voort te planten.
We spreken pas van een nieuwe soort als organismen zich onderling niet meer kunnen of willen voortplanten of
als ze geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Een nieuwe soort kan ontstaan als een deel van de populatie gedurende een lange tijd geïsoleerd raakt. Dat kan
doordat organismen hun voedselpatroon of nestgedrag wijzigen en zo een nieuwe niche innemen. Daardoor
kunnen ze zich onderling niet meer voortplanten.
Als er door mutaties nieuwe eigenschappen ontstaan, kunnen er ook nieuwe soorten ontstaan, waardoor
voortplanting niet meer mogelijk is.
Het proces waarbij een nieuwe soort ontstaat is evolutie. Die kan snel gaan of heel traag.
Je kunt het proces van evolutie voorstellen met een stamboom. Elke vertakking is een nieuwe soort. Op de
plaats waar vertakkingen samenkomen vind je de gemeenschappelijke voorouder.
Je kan uit de stamboom afleiden welke organismen de meeste genetische overeenkomsten hebben. Hoe
meer naar het uiteinde, hoe meer genetisch verwant ze zijn. Hoe recenter de gemeenschappelijke
voorouder, hoe meer gemeenschappelijke genen. Hoe verder de voorouder, hoe minder overeenkomsten.
De Canis lupus is meer verwant met de Canis lupus familiaris dan met de Canis latrans.
wolf hond Prairiewolf
1) Evolutie leidt tot biodiversiteit
De eigenschappen van een organisme worden bepaald door hun DNA (= het erfelijk materiaal).
DNA kun je opdelen in stukjes: de genen. Elk van die genen is verantwoordelijk voor één of meerdere
eigenschappen. Alle genen samen bepalen alle eigenschappen.
Tijdens de voortplanting worden de genen van de ouders doorgegeven aan de nakomelingen. Toch kan de
nakomeling andere eigenschappen bezitten. De nieuwe eigenschappen kunnen op twee manieren ontstaan:
Elke ouder geeft de helft van de genen door. De nakomeling heeft een nieuwe combinatie van
genen, die mogelijk nieuwe eigenschappen geven.
Er kunnen ook nieuwe eigenschappen ontstaan door mutatie. Gemuteerde genen komen er door
toevallige veranderingen in het DNA.
De nieuwe eigenschappen kunnen de overlevingskansen van de nakomeling vergroten of verkleinen. Organismen
die door nieuwe eigenschappen minder goed zijn aangepast, hebben minder kans om te overleven en dus ook
minder kans om zich voort te planten.
We spreken pas van een nieuwe soort als organismen zich onderling niet meer kunnen of willen voortplanten of
als ze geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Een nieuwe soort kan ontstaan als een deel van de populatie gedurende een lange tijd geïsoleerd raakt. Dat kan
doordat organismen hun voedselpatroon of nestgedrag wijzigen en zo een nieuwe niche innemen. Daardoor
kunnen ze zich onderling niet meer voortplanten.
Als er door mutaties nieuwe eigenschappen ontstaan, kunnen er ook nieuwe soorten ontstaan, waardoor
voortplanting niet meer mogelijk is.
Het proces waarbij een nieuwe soort ontstaat is evolutie. Die kan snel gaan of heel traag.
Je kunt het proces van evolutie voorstellen met een stamboom. Elke vertakking is een nieuwe soort. Op de
plaats waar vertakkingen samenkomen vind je de gemeenschappelijke voorouder.
Je kan uit de stamboom afleiden welke organismen de meeste genetische overeenkomsten hebben. Hoe
meer naar het uiteinde, hoe meer genetisch verwant ze zijn. Hoe recenter de gemeenschappelijke
voorouder, hoe meer gemeenschappelijke genen. Hoe verder de voorouder, hoe minder overeenkomsten.
De Canis lupus is meer verwant met de Canis lupus familiaris dan met de Canis latrans.
wolf hond Prairiewolf