Ik
STAM
Ik loop
Jij/je, hij, zij (enkelvoud), men/u
STAM + T
Jij/je loopt
Hij loopt
Zij loopt
Men/u loopt
Als jij/je zelfstandig achter het werkwoord staat, geen T!
Loop jij/je naar huis?
Wel een T als:
Loopt je broer naar huis?
Wij, zij (meervoud)
Hele werkwoord (infinitief)
Zij lopen
Wij lopen
Voltooid deelwoord
Eindigt op een -d of een -t!
Probeer altijd de verleden tijd van het woord te bedenken (is makkelijker dan 't kofschip)
Bijvoorbeeld:
Ik wandel > wandelde > ik heb gewandeld
Jij/je wandelt > wandelde > jij hebt gewandeld
Hij/zij wandelt > wandelde > hij heeft gewandeld
Zij wandelen > wandelden > zij hebben gewandeld
Men/u wandelt > wandelde > men heeft gewandeld
Bliksemen > het bliksemt > het bliksemde > het heeft gisteren gebliksemd
Beargumenteren > hij beargumenteert > hij beargumenteerde > hij heeft beargumenteerd
Ik fiets > fietste > heb gefietst
Jij/je fietst > fietste > hebt gefietst
Hij/zij fietst > fietste > heeft gefietst
Zij fietsen > fietsten > hebben gefietst
Men/u fietst > fietste > heeft gefietst
Interviewen > jij interviewt > jij interviewde > jij hebt geïnterviewd
Vervoegen > ik vervoeg/ jij vervoegt > ik vervoegde > ik heb het werkwoord vervoegd
Verdienen > hij verdient > hij verdiende > hij heeft verdiend
Onvoltooid deelwoord
Is niet hetzelfde als een voltooid deelwoord, want het woord is niet “voltooid”. Men is nog bezig de
handeling die het woord vertegenwoordigt uit te voeren!
Voorbeelden:
Hij lachte verontschuldigend (ovdw).
Hij antwoordde ontkennend op de gestelde vraag (vtdw).
Er zijn nog maar bedroevend (ovdw) weinig treinen die niet zijn beschilderd (vtdw).
De niets vermoedende (ovdw) soldaten werden volledig verrast (vtdw).
De straat was bezaaid (vtdw) met verbrande (vtdw) papieren.