fysiotherapie 1.4
Neurologie
,Inhoudsopgave
Inhoudsopgave 2
Hoofdstuk 1: Centraal zenuwstelsel 3
Neuromusculaire aandoeningen 26
Zenuwen 30
Motorisch leren 40
PNF training voor spierfunctie 42
,Hoofdstuk 1: Centraal zenuwstelsel
1 zenuwstelsel. Onderscheid voor begrijpen.
Centrale zenuwstelsel= hersenen + ruggenmerg
Ruggenmerg
- Informatiestroom van/naar hersenen
- Belangrijk reflexcentrum
- Heeft op cervicaal en lumbaal niveau intumescenties (verdikkingen)= hier komt de
informatie vanuit de extremiteiten binnen.
- Loopt door tot wervel L1/L2 (vanaf L1/L2= cauda equina= ‘Paardenstaart’)
Hersenen (geen bindweefsel> structuur makkelijk te zien)
2 hersenhelften= Cerebrale hemisferen/Cerebrum= grote hersenen
Schors om grote hersenen= Cortex cerebri= buitenste 6 cellagen. Bewuste
processen.
Hersenstam: 3 delen:
1. Medulla oblongata (=verlengde merg)
2. Pons (‘brug’)
3. Middenhersenen (= mesencephalon= midbrain)
Formatio reticularis= complexe structuur over gehele lengte hersenstam. Belangrijk
bij arousal en slaap-waakritme
Thalamus
- Schakelcentrum (eivormige structuur in de tussenhersenen)
Basale ganglia / Limbisch systeem
- Groep hersenkernen (nuclei) in tussenhersenen
- Zeer complexe neuronale circuits
- Belangrijk voor automatische en emotionele motoriek (precieze rol onduidelijk)
Cerebellum (=kleine hersenen)
- Controlecentrum: bijsturen van motorische programma's
- Maakt fijne motoriek mogelijk
Laesies frontale cortex verandering in: Emoties, karakter, geweten, geheugen
Brein = plastisch → kan voortdurend veranderen en vervormen voor een betere functie
→ Maakt (motorisch) leren mogelijk → Maakt herstel na schade mogelijk
Cortex cerebri: Veel voorkomende laesie: CVA
ARAS= Ascending Reticular Activating System (> voor activatie cortex: alert/waakzaamheid)
DRAS= Descending Reticular Activating System (> spiertonus: kaak verhoogt reflex)
Meninges= een hersenvlies (zitten ook om ruggenmerg), hierbij zijn 3 lagen
, 1. Dura mater: taaie, dikke, leerachtige laag aan de buitenkant en om ruggenmerg en
klein stukje spinale zenuw: beschermende functie. Goed geïnnerveerd: druk hierop
kan voor klachten zorgen: irritatie schedel, ruggenwervel> minder beweeglijkheid in
ruggenmerg: tractie op alle spinale zenuwen> referred pain. Op cervicaal niveau
referred pain vanuit de dura in: armen, handen, schouders en nek.
2. Arachnoidea= dunne, middelste laag. (tussen dura mater en pia mater)
3. Pia mater= dunne laag aan de binnenkant die stevig met het oppervlak van
hersenen en ruggenmerg is verbonden.
Modellen van CZS
Reflexmodel (stimulus responsmodel: spier peesreflexen: telefoonbotje)
Sensor → Sensorische neuron → Centraal zenuwstelsel → Motorneuron →
Effector
Gaat niet altijd op: bij nood in staat om reflex uit te stellen.
Sensomotorische cirkel
Cirkel tussen sensoriek en motoriek. Motoriek ontstaat door sensoriek, sensoriek: motoriek
als gevolg. Ex-afferentie= info van buitenaf. Re-afferentie (interne info) Feedback/forward.
Kabels en banenmodel
= vaste banen tussen verschillende delen van zenuwstelsel.
Sensoren en spiergroepen hebben exclusieve baan naar specifiek gedeelte in brein.
Activatie baan→ sensatie in brein.
Verklaart:
- El stimulatie zenuw zorgt voor contractie van specifieke spier
- Paresthesieën (tintelingen in ledematen door druk op zenuw) in extremiteiten kunnen
gevolg zijn van stimulatie in ruggenmerg
- Pijn die niet bestaat (neurogene/neuropatische pijn) door defecte structuren in
hersenen waardoor remming in ruggenmerg onvoldoende is→ ten onrechte pijn
- Intermezzo/fantoompijn= pijn in geamputeerde lichaamsdeel. Prikkeling afgesneden
axon genereert actiepotentialen→ brein denkt dat dit van lichaamsdeel komt.
Sensorische kaart blijft tot weken na amputatie bestaan. Neuronen in cortex
ontvangen geen hand prikkels meer. Zenuwuiteinden verwijderen helpt
niet: pijn in brein, niet in zenuwuiteinde.
Hiërarchisch model / fylogenetisch model
Fylogenese= studie vd ontstaansgeschiedenis van een groep organismen.
Gaat ervan uit dat CZS uit 3 lagen bestaat. (info steeds niveau hoger bij
herhaling) Hoe hoger hoe moeilijker (NEO moeilijkst)
Archi= begin Paleo= oud Neo= nieuw
Locatie van niveaus in brein 3 niveaus in relatie tot motoriek
Archi= ruggenmerg en hersenstam → reflexen (oudste niveau). Onvrijwillig
- Monosegmentaal= verloopt over 1 ruggenmergsegment
- Multisegmentaal= meer reflexen betrokken: zoals terugtrekreflex
Paleo= Hypothalamus, limbisch systeem, basale ganglia (fixed action patterns:
bewegingspatronen die genetisch verankerd zijn in hersenen: kauwen, slikken)