Hoofdstuk 5
Abioti sche factor: omgevingsfactoren zoals licht, lucht, water, temperatuur en bodem.
ADH-waarde: aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van een vitamine (of mineraal)
Aerobe dissimilati e: dissimilati e met zuurstof.
Aeroob: in aanwezigheid van zuurstof
Alcoholische gisti ng: onvolledige afb raak van glucose tot ethanol en CO 2 , waarbij twee
ATP-moleculen vrijkomen.
Aminozuren: moleculen die de bouwstenen zijn van eiwitt en
Anaerobe dissimilati e: dissimilati e zonder zuurstof
Anaeroob: zonder O 2
Anorganische stof: eenvoudige stof die vrij in de natuur voorkomt, bijvoorbeeld water,
zuurstof en kalkzout. Bevat geen C-keten of C-H bindingen.
Assimilati eproces: het opbouwen van organische stoff en uit eenvoudige moleculen.
Atherosclerose: ‘aderverkalking’
ATP: adenosinetrifosfaar, een energierijk molecuul
Bastvaten: transportvat voor water met suikers van de bladeren naar de rest van de
plant.
Beperkende factor: Die factor die, van de betrokken factoren, het verst weg is van zijn
opti umwaarde en daarmee de snelheid van de reacti e beperkt.
Beschermende stoff en: stoff en in je voeding die helpen ziekten te voorkomen, onder
andere vitamines, mineralen en voedingsvezels.
Bouwstof: grondstof voor de opbouw van je organen, onder andere eiwitt en, water en
mineralen.
Brandstof: energierijke stof
Bruto producti e: de totale hoeveelheid glucose die een plant bij de fotosynthese
maakt.
Cellulose: koolhydraat, werkt als voedingsvezels
Chlorofyl: groene kleurstof in bladgroenkorrels/ chloroplasten, die licherenergie
opvangt voor de fotosynthese.
Compensati epunt: De O 2 -producti e door de fotosynthese is precies gelijk aan het O 2 -
verbruik door dissimilati e.
Creati nefosfaat: ‘noodaccu’ in de cellen van spieren, draagt zijn energierijke
fosfaatgroep over aan ADP.
Cuti cula: vetachti ge waslaag aan beide zijden van een blad.
Dissimilati e: stapsgewijze afb raak van vett en, koolhydraten en eiwitt en.
, Droge stof: de hoeveelheid organische en anorganische stof die overblijft wanneer je
al het water uit een organisme haalt.
Drooggewicht: de hoeveelheid droge stof van een voedingsmiddel.
Eencellige gisten: eencellige schimmels, dissimileren glucose onder andere tot CO2 en
alcohol.
Eiwit: bouwstof voor (spier)cellen en enzymen
Essenti ele aminozuren: aminozuren die je kant-en-klaar met het voedsel opneemt, in
tegenstelling tot niet-essenti ële aminozuren, die de lever zelf kan maken.
Essenti ele vetzuren: vetzuren die je kant-en-klaar met het voedsel opneemt, in
tegenstelling tot niet-essenti ële vetzuren, die je lichaam zelf kan maken.
Fermenteren: gisten
Fosfaaraccu: transport van CO2 en O2 het blad in en uit
Glucose: (C6H12O6) kleine koolhydraat. Levert veel energie als een cel het met O2
volledig afb reekt tot H2O en CO2
Glycerol: onderdeel van een vetmolecuul.
Glycogeen:
- Koolhydraat, lange keten met zijtaken van aan elkaar gekoppelde
glucosemoleculen.
- Reservestof in spier- en levercellen
Hoogwaardig: van hoge kwaliteit
Houtvaten: openingen in de opperhuid van bladeren, omgeven door sluitcellen.
Huidmondjes: openingen in de opperhuid van bladeren, omgeven door sluitcellen.
Klassieke biotechnologie: Het gebruik van micro-organismen bij het bewaren en
bereiden van voedsel.
Koolhydraat: brandstof
Lignine: houtstof in dikke celwanden, werkt als voedingsvezel
Melkzuurgisti ng: onvolledige afb raak van glucose tot melkzuur, waarbij twee ATP-
moleculen vrijkomen.
Mineralen:
- Anorganische stoff en, belangrijk voor de osmoti sche waarde van
lichaamsvloeistoff en
- Bouwstoff en
- Spelen een rol bij de werking van zenuwcellen (natrium en kalium)
- Onderdeel van enzymen en hormonen
Nett oproducti e: het verschil tussen de totale hoeveelheid glucose die een plant maakt
(BP) en de hoeveelheid glucose die een plant verbruikt. (D) NP= BP – D
Abioti sche factor: omgevingsfactoren zoals licht, lucht, water, temperatuur en bodem.
ADH-waarde: aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van een vitamine (of mineraal)
Aerobe dissimilati e: dissimilati e met zuurstof.
Aeroob: in aanwezigheid van zuurstof
Alcoholische gisti ng: onvolledige afb raak van glucose tot ethanol en CO 2 , waarbij twee
ATP-moleculen vrijkomen.
Aminozuren: moleculen die de bouwstenen zijn van eiwitt en
Anaerobe dissimilati e: dissimilati e zonder zuurstof
Anaeroob: zonder O 2
Anorganische stof: eenvoudige stof die vrij in de natuur voorkomt, bijvoorbeeld water,
zuurstof en kalkzout. Bevat geen C-keten of C-H bindingen.
Assimilati eproces: het opbouwen van organische stoff en uit eenvoudige moleculen.
Atherosclerose: ‘aderverkalking’
ATP: adenosinetrifosfaar, een energierijk molecuul
Bastvaten: transportvat voor water met suikers van de bladeren naar de rest van de
plant.
Beperkende factor: Die factor die, van de betrokken factoren, het verst weg is van zijn
opti umwaarde en daarmee de snelheid van de reacti e beperkt.
Beschermende stoff en: stoff en in je voeding die helpen ziekten te voorkomen, onder
andere vitamines, mineralen en voedingsvezels.
Bouwstof: grondstof voor de opbouw van je organen, onder andere eiwitt en, water en
mineralen.
Brandstof: energierijke stof
Bruto producti e: de totale hoeveelheid glucose die een plant bij de fotosynthese
maakt.
Cellulose: koolhydraat, werkt als voedingsvezels
Chlorofyl: groene kleurstof in bladgroenkorrels/ chloroplasten, die licherenergie
opvangt voor de fotosynthese.
Compensati epunt: De O 2 -producti e door de fotosynthese is precies gelijk aan het O 2 -
verbruik door dissimilati e.
Creati nefosfaat: ‘noodaccu’ in de cellen van spieren, draagt zijn energierijke
fosfaatgroep over aan ADP.
Cuti cula: vetachti ge waslaag aan beide zijden van een blad.
Dissimilati e: stapsgewijze afb raak van vett en, koolhydraten en eiwitt en.
, Droge stof: de hoeveelheid organische en anorganische stof die overblijft wanneer je
al het water uit een organisme haalt.
Drooggewicht: de hoeveelheid droge stof van een voedingsmiddel.
Eencellige gisten: eencellige schimmels, dissimileren glucose onder andere tot CO2 en
alcohol.
Eiwit: bouwstof voor (spier)cellen en enzymen
Essenti ele aminozuren: aminozuren die je kant-en-klaar met het voedsel opneemt, in
tegenstelling tot niet-essenti ële aminozuren, die de lever zelf kan maken.
Essenti ele vetzuren: vetzuren die je kant-en-klaar met het voedsel opneemt, in
tegenstelling tot niet-essenti ële vetzuren, die je lichaam zelf kan maken.
Fermenteren: gisten
Fosfaaraccu: transport van CO2 en O2 het blad in en uit
Glucose: (C6H12O6) kleine koolhydraat. Levert veel energie als een cel het met O2
volledig afb reekt tot H2O en CO2
Glycerol: onderdeel van een vetmolecuul.
Glycogeen:
- Koolhydraat, lange keten met zijtaken van aan elkaar gekoppelde
glucosemoleculen.
- Reservestof in spier- en levercellen
Hoogwaardig: van hoge kwaliteit
Houtvaten: openingen in de opperhuid van bladeren, omgeven door sluitcellen.
Huidmondjes: openingen in de opperhuid van bladeren, omgeven door sluitcellen.
Klassieke biotechnologie: Het gebruik van micro-organismen bij het bewaren en
bereiden van voedsel.
Koolhydraat: brandstof
Lignine: houtstof in dikke celwanden, werkt als voedingsvezel
Melkzuurgisti ng: onvolledige afb raak van glucose tot melkzuur, waarbij twee ATP-
moleculen vrijkomen.
Mineralen:
- Anorganische stoff en, belangrijk voor de osmoti sche waarde van
lichaamsvloeistoff en
- Bouwstoff en
- Spelen een rol bij de werking van zenuwcellen (natrium en kalium)
- Onderdeel van enzymen en hormonen
Nett oproducti e: het verschil tussen de totale hoeveelheid glucose die een plant maakt
(BP) en de hoeveelheid glucose die een plant verbruikt. (D) NP= BP – D