B2 – 2016/2017
Week 3A: Rechtsmiddelen
1. Leerdoelen
Aan het einde van deze week kunt u:
1. de volgende begrippen en onderwerpen herkennen, opsommen, toelichten, hanteren en toepassen
aan de hand van concrete voorbeelden en er verbanden tussen leggen:
Doel, functie en kenmerken van de gewone rechtsmiddelen:
o Verzet
o Hoger beroep, waaronder appellabiliteit, grievenstelsel en devolutieve werking
o Cassatie
Doel, functie en kenmerken van de buitengewone rechtsmiddelen:
o Derdenverzet
o Herroeping
o Cassatie in het belang der wet
Verloop van de rechtsmiddelenprocedures
De relevante regels van KEI
2. de kern van een uitspraak lezen, aangeven wat de centrale vraag is waarover de rechterlijke
instanties zich hebben gebogen en wat de kernoverwegingen van die instanties zijn geweest bij het
beantwoorden van die vraag en het kunnen duiden van het commentaar in de jurisprudentiebundel op
die uitspraak;
3. een casus bestuderen en analyseren met het oog op het formuleren van de te beantwoorden
rechtsvraag, alsmede met het oog op het vergaren van informatie die kan worden gebruikt bij het
schriftelijk, volledig, gemotiveerd en met behulp van de wet en de jurisprudentie beantwoorden van
die rechtsvraag.
2. Literatuur
Te bestuderen stof:
Hugenholtz/Heemskerk: nummers 137 en 141-178
Kort begrip KEI: hoofdstukken 8-9
Aanbevolen:
A.I.M. van Mierlo en P.J.J. Vonk, ‘Vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht;
procederen in nieuwe jas na KEI, WPNR 2015(7065) (zie Blackboard)
Jurisprudentie:
Geheel:
- Van der Graaf/Van der Voort, HR 7 juni 1957, NJ 1957, 433, met noot Rutten (bundel nr. 64);
- De Vries/Gemeente Voorst, HR 25 april 2008, NJ 2008, 553, met noot H.J. Snijders (bundel nr.
69);
- Niekoop/Ago, HR 4 mei 1984, NJ 1985, 22, met noot Stein (bundel nr. 102);
- D./Raad voor de Kinderbescherming, HR 28 november 2003, RvdW 2003, 180 (bundel nr. 107);
1