100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting - AFP Leerpakket 1

Rating
-
Sold
-
Pages
29
Uploaded on
14-06-2023
Written in
2021/2022

Dit is een samenvatting van de belangrijke leerdoelen die in de les worden behandeld van het vak Anatomie, Fysiologie en Pathologie (AFP) Leerpakket 1 van de opleiding Verpleegkunde (HBO-V). In deze samenvatting wordt een uitleg gegeven over de belangrijke onderwerpen van het vak AFP, en de belangrijke aspecten van dit vak. De punten die worden behandeld zijn cellen, weefsels, het hart, prikkelgeleiding van het hart, bloedvatvoorziening van het hart, ECG, bloedvaten en bloeddruk, en stoffenuitwisseling en bloedgroepen.

Show more Read less
Institution
Course










Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Hoofdstuk 2 t/m 6
Uploaded on
June 14, 2023
Number of pages
29
Written in
2021/2022
Type
Summary

Subjects

Content preview

Samenvatting Leerdoelen LP1 AFP
Cellen
- De student beschrijft de bouw en functie van de cel en het celmembraan
Cellen zijn de bouwstenen van het lichaam. In een cel vindt stofwisseling plaats. Met
stofwisseling (metabolisme) worden alle biochemische reacties bedoeld die in de
cellen kunnen plaatsvinden. Bijv. verbranding: vrijmaken van energie (ATP), zodat de
cel deze kan gebruiken voor: groei, onderhoud en reparatie.

- De student omschrijft hoe katabole en anabole reacties verlopen
Er zijn twee typen biochemische reacties: anabole en katabole reacties.
o Anabole reacties: hierbij worden kleine moleculen samengevoegd tot grotere.
Deze reacties kosten energie. De zo gevormde moleculen worden (meestal
tijdelijk) ingebouwd in de cellen en gebruikt voor groei, onderhoud en reparatie
van weefsels. Daarom noem je dit soort stofwisseling ook wel
opbouwstofwisseling (assimilatie).
o Katabole reacties: dit zijn omzettingen waarbij grotere moleculen afgebroken
worden tot kleinere. Bij deze reacties komt energie vrij. Die energie kan
gebruikt worden voor de opbouwstofwisseling of andere energie vragende
processen als beweging en warmteproductie. Dit soort stofwisselingsreacties
worden aangeduid met afbraakstofwisseling (dissimilatie)

- De student beschrijft hoe bij dissimilatie vrijgekomen energie wordt
opgeslagen in ATP
De bij dissimilatie vrijgekomen energie wordt in ATP (adenosinetrifosfaat (ADP + P +
energie)) vastgelegd. ATP is op deze manier een klein energiepakketje geworden. De
ATP-moleculen kunnen zich overal in de cel bevinden. Zodra ergens in de cel energie
nodig is, wordt het derde fosfaatmolecuul heel snel losgekoppeld en komt de
opgeslagen energie vrij.

- De student omschrijft de belangrijkste transportmechanismen waarmee stoffen
in en uit de cel worden gebracht
Stoffen kunnen op verschillende manieren de cel in en uit.
o Passief transport: is gebaseerd op diffusie en osmose, en kost de cel geen
energie.
 Diffusie is de beweging van deeltjes van een plaats waar ze in een
hoge concentratie voorkomen naar een plaats waar de concentratie
kleiner is.
 Osmose is diffusie van water via een semipermeabele (half
doorlaatbare) membraan.
o Actief transport: hierbij moeten deeltjes van een ruimte met een lage
concentratie opgeloste stoffen naar een ruimte met een hoge concentratie
opgeloste stoffen gebracht worden, en kost de cel wel energie. Je spreekt
hier van twee typen actief transport.
 Enzymatische pomp: de te transporteren stoffen worden met behulp
van enzymen door de celmembraan gesluisd. Deze enzymen zijn
membraaneiwitten en worden transporteiwitten genoemd.
 Blaasjestransport: de celmembraan stulpt om de te transporteren stof
heen en vormt een blaasje. De uitgestulpte stukjes kunnen
samensmelten (fuseren). In het cytosol, waardoor de ingesloten stof
niet direct in contact komt met het intracellulaire milieu. Cellen naar

, binnen halen  endocytose, opgenomen deeltjes vormen een vaste
stof  fagocytose, als het een vloeistof is  pinocytose.
Weefsels
- De student beschrijft de algemene bouw en functies van de verschillende
weefsels en verdeelt deze in de vier hoofdgroepen
Een weefsel is een groep cellen bij elkaar met een specifieke eigenschap. Er zijn vier
hoofdgroepen weefsels: epitheel (dekweefsel), steunweefsel, spierweefsel, en
zenuwweefsel.
o Epitheel (dekweefsel): bestaat uit cellen die een aaneengesloten laag vormen,
zonder tussencelstof. Epitheel is niet doorbloed. Je vind epitheel op en door
heel het lichaam (de huid, binnenkant holle organen bijv. darm). Epitheel kan
drie verschillende functies hebben:
1. Bescherming (ziekte, uitdroging, chemische stoffen)
2. Transport van stoffen naar de organen (darmen, longen)
3. Secretie (afscheiding van bijv. slijm en vocht in de klieren).

Klierweefsel: epitheel dat gespecialiseerd is in secretie
- Tijdens embryonale ontwikkeling
- Productiecapaciteit hoger dan andere
Exocrien: externe secretie (buiten lichaam, bijv. zweet en speeksel)
Endocrien: interne secretie (binnen lichaam, bijv. hormonaal en aan bloed)

o Steunweefsel: bestaat uit gespecialiseerde cellen die omgeven zijn door een
kenmerkende tussencelstof: de matrix. Deze bepaalt de functie en vorm van
de verschillende typen steunweefsel.
• Compact zoals bot en kalkzouten door vezels
• Vloeibaar in bloed

Steunweefsel geeft steun aan het lichaam, beschermt de organen en bepaalt
hun vorm en onderlinge beweeglijkheid. (Verbindende, steunende of
verzorgende functie). Je kunt dit type weefsel vinden in de organen, in het
kraakbeen, in de botten, en in het bloed en lymfe.

o Spierweefsel: bestaat uit parallel gelegen myofibrillen.
1. Eiwitketens die bestaan uit actinefilamenten en myosinefilamenten
2. Actine en myosine schuiven m.b.v. ATP in elkaar en laat daarmee de
spier contraheren.
Er zijn drie verschillende typen spierweefsel: dwarsgestreept spierweefsel,
glad spierweefsel en hart spierweefsel. Ieder type spierweefsel heeft een
andere functie
- Dwarsgestreept spierweefsel (skeletspieren): door wil beïnvloedbaar,
vindt je in de armen/benen
- Glad spierweefsel (in wand van inwendige organen): niet door wil
beïnvloedbaar, vindt je in de wand van de inwendige organen (maag,
darmen en bloedvaten)
- Hart spierweefsel: lijkt op dwarsgestreept spierweefsel, niet door wil
beïnvloedbaar, vindt je in het hart

o Zenuwweefsel: cellen die prikkels doorgeven, prikkels heten impulsen.
Bestaat uit:

, - Neuronen
- Impulsgeleiding
- Neuroglia
Zenuwweefsel bevindt zich door het gehele lichaam, maar voor 98% in het
centrale zenuwstelsel; dat zijn de hersenen en het ruggenmerg.
Zenuwweefsel vervoert impulsen door het hele lichaam.

- De student beschrijft binnen elk van de vier hoofdgroepen de belangrijkste
weefsels met hun specifieke bouw en functie
o Epitheel:
Eenlagig-epitheel  bestaat uit één rij epitheelcellen. Wordt ingedeeld in vier
typen: eenlagig plaveiselepitheel, kubisch epitheel, cilindrisch epitheel en
trilhaarepitheel.

Eenlagig plaveiselepitheel bestaat uit relatief platte cellen  plaatepitheel. De
binnenbekleding van het hart, de bloed- en lymfevaten en de longblaasjes
bestaat uit dit epitheel dat vanwege de inwendige organen ook aangeduid
wordt met endotheel. De vliezen rond longen, hart en buikorganen bestaan
ook uit eenlagig plaveiselepitheel  mesotheel.

Kubisch epitheel  cellen zijn even hoog als breed. Dit epitheel zit in de
nierbuizen en in de wand van de klierbuizen.

Cilindrisch epitheel  cellen zijn relatief hoog en bevatten veel organellen. De
binnenbekleding van de darm, de galblaas en de baarmoeder bestaan uit
cilindrisch epitheel. In de dunne darm hebben de epitheelcellen aan de kant
van de darmholte een groot aantal microvilli  uitstulpingen die voor
oppervlaktevergroting zorgen.

Trilhaarepitheel  bestaat uit hoge cellen die aan de kant van de holte
bedenkt zijn met cilla (trilharen). Tussen de epitheelcellen zitten slijmvliezen
die continu slijm produceren. Trilhaarepitheel vind je als binnenbekleding van
de luchtwegen waar de trilharen stofjes en vuiltjes naar buiten wegwapperen,
en in de eileiders waar ze de rijpe eicel voortbewegen richting de
baarmoederholte.

o Meerlaging epitheel  opgebouwd uit enkele tot vele lagen epitheelcellen. In
de onderste lagen zijn de cellen kubisch of cilindrisch. Er schuiven
voortdurend nieuwe cellen naar de bovenlagen toe, waarbij ze steeds verder
worden afgeplat. De meest oppervlakkige lagen hebben een slijtfunctie. Er zijn
drie typen meerlagig epitheel: verhoornend plaveiselepitheel, niet-
verhoornend plaveiselepitheel en overgangsepitheel.

Verhoornend plaveiselepitheel  dieper gelegen cellen die kubisch zijn. De
aan de basaalmembraan grenzende laag cellen delen zich continu, waarna
een gedeelte van de dochtercellen naar de oppervlakte schuift. Ze worden
steeds platter naarmate ze verder naar de oppervlakte komen. Bovendien
verhoornen ze  ze gaan dood. Zo ontstaat een verhoornde buitenste laag
die ondoordringbaar is voor water en bescherming biedt tegen gevaren van
buitenaf. Verhoornend plaveiselepitheel vind je in de opperhuid.
$4.78
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
jordansmjanse

Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
jordansmjanse Avans Hogeschool
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
11
Member since
2 year
Number of followers
8
Documents
15
Last sold
3 months ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions