1.Levende wezens en hun kenmerken
1.1 De basis van levende wezens is de cel
Niet-levend niveau: Levend niveau: opgebouwd uit functioneel
geheel van niet-levende bouwstenen
Atoom= Bouwsteen niet-levende en Cel= kleinste begrensde eenheid
levende wezens o alles bestaat uit cellen
o Kleinste deeltjes die er bestaan, o bacterie= 1 cel
die niet verder opgedeeld o complex geheel= miljoenen
kunnen worden. cellen
Molecule= gegroepeerde atomen weefsel= een groep cellen
Macromoleculen= moleculen die orgaan= verschillende weefsels die zich
gegroepeerd zijn tot grotere eenheden combineren
organisme= een levend wezen dat is
opgebouwd uit allerlei organen
o leeft in omgeving waarvan die
afhankelijk is (voedingscyclus)
Ecosysteem= een groepering van verschillende levende wezens die leven
in onderlinge relatie met elkaar en met hun omgeving.
1.2 Classificatie levende wezens
Indeling-> organismen met gelijkaardige kenmerken in dezelfde groep (rijk).
Systematiek= het benoemen en het classificeren van de verschillende organismen in groepen.
Geslachtsnaam
Soortnaam
Soort of species= een groep individuele dieren/planten die, wat hun totale som aan eigenschappen
betreft, meer op elkaar gelijken dan op de leden van een andere soort.
Bacteriën = zeer kleine ééncellige wezens met een eenvoudige structuur en opbouw
Rijk 1 (prokaryotische cel)
, Nuttige bacteriën
Schadelijke bacteriën
Functie:
- Gezondheid
- Landbouw
- Milieu
Bv. antibiotica: stoffen die door schimmels of door andere bacteriën worden
geproduceerd en die in lage concentraties, de groei van bacteriën verhinderen of
doden.
Protisten = verscheiden groep, eukaryotische cellen
Rijk 2 Te primitief om als plant of dier bestempeld te worden (= afvalbak)
- Protozoa
- Slijmzwammmen
- Algen
- Plankton= grote verzameling van hele kleine organismen die zweven in
het water en niet tegen de stroom kunnen opzwemmen.
Schimmels = gisten (eencellige schimmels)
Rijk 3 Nuttige schimmels:
- Afbraak organisch materiaal
- Paddenstoelen
- Bereiding voedsel
- Produceren antibiotica
Minder aangename schimmels:
- Plantenziekten
- Infecteren
- Voedsel bederven
- Vochtige muren
Eigenschappen zowel planten als
dieren:
- Heterotroof: voeden door voedsel op te nemen
- Geen inwendige vertering
- Celwand rondom cellen (= chitine)
- Voortplanting niet via embryo
Lichaam schimmel: opgebouwd uit lange draden (= zwamdraden)
Netwerk zwamdraden= zwamvlok
Voortplanting:
Ongeslachtelijke voortplanting: geen versmelting van eicellen en
zaadcellen
Geslachtelijke voortplanting: altijd na versmelting van 2 cellen waarbij
genetisch materiaal in die cellen versmelt.
o Sporendragend orgaan= paddenstoel
Eetbare paddenstoelen: eekhoorntjesbrood, haneklamn hoorn van overvloed,
oesterzwam…
Giftige paddenstoelen: vloegezwam (rood met witte stippen), groene
knolamaniet, bundelmosklikjes
Planten = meercellige, eukaryotische organismen die aan fotosynthese doen.
Rijk 4 Verschil dierlijke cellen:
- Celwand= cellulose
, - Fotosynthese
- Grote zak water (stevigheid)
Fotosynthese= planten die zich voeden door het proces waarbij ze energie van
zonlicht omzetten in suikers.
• Plaats waar fotosynthese gebeurt: bladgroenkorrels
• Bladgroenkorrels bevatten pigment:
chlorofyl groene kleur
Plant= verankerd weinig beweeglijk (celwand!)
Soorten:
1. Mossen
= primitieve plant (geen vaatweefsel & echte wortel)
2. Varenachtigen
3. Zaadplanten
Naaktzadigen (geen vrucht gevormd rond hun zaden bv.
naaldbomen)
Bedektzadigen (alle planten die een vrucht rond het zaad
hebben bv. bloeiende planten)
Dieren = meercellige eukaryotische organismen
Rijk 5 - Geen fotosynthese
- Beweeglijk organisme
- Geslachtelijke voortplanting
- Beperkte groei
1.1 De basis van levende wezens is de cel
Niet-levend niveau: Levend niveau: opgebouwd uit functioneel
geheel van niet-levende bouwstenen
Atoom= Bouwsteen niet-levende en Cel= kleinste begrensde eenheid
levende wezens o alles bestaat uit cellen
o Kleinste deeltjes die er bestaan, o bacterie= 1 cel
die niet verder opgedeeld o complex geheel= miljoenen
kunnen worden. cellen
Molecule= gegroepeerde atomen weefsel= een groep cellen
Macromoleculen= moleculen die orgaan= verschillende weefsels die zich
gegroepeerd zijn tot grotere eenheden combineren
organisme= een levend wezen dat is
opgebouwd uit allerlei organen
o leeft in omgeving waarvan die
afhankelijk is (voedingscyclus)
Ecosysteem= een groepering van verschillende levende wezens die leven
in onderlinge relatie met elkaar en met hun omgeving.
1.2 Classificatie levende wezens
Indeling-> organismen met gelijkaardige kenmerken in dezelfde groep (rijk).
Systematiek= het benoemen en het classificeren van de verschillende organismen in groepen.
Geslachtsnaam
Soortnaam
Soort of species= een groep individuele dieren/planten die, wat hun totale som aan eigenschappen
betreft, meer op elkaar gelijken dan op de leden van een andere soort.
Bacteriën = zeer kleine ééncellige wezens met een eenvoudige structuur en opbouw
Rijk 1 (prokaryotische cel)
, Nuttige bacteriën
Schadelijke bacteriën
Functie:
- Gezondheid
- Landbouw
- Milieu
Bv. antibiotica: stoffen die door schimmels of door andere bacteriën worden
geproduceerd en die in lage concentraties, de groei van bacteriën verhinderen of
doden.
Protisten = verscheiden groep, eukaryotische cellen
Rijk 2 Te primitief om als plant of dier bestempeld te worden (= afvalbak)
- Protozoa
- Slijmzwammmen
- Algen
- Plankton= grote verzameling van hele kleine organismen die zweven in
het water en niet tegen de stroom kunnen opzwemmen.
Schimmels = gisten (eencellige schimmels)
Rijk 3 Nuttige schimmels:
- Afbraak organisch materiaal
- Paddenstoelen
- Bereiding voedsel
- Produceren antibiotica
Minder aangename schimmels:
- Plantenziekten
- Infecteren
- Voedsel bederven
- Vochtige muren
Eigenschappen zowel planten als
dieren:
- Heterotroof: voeden door voedsel op te nemen
- Geen inwendige vertering
- Celwand rondom cellen (= chitine)
- Voortplanting niet via embryo
Lichaam schimmel: opgebouwd uit lange draden (= zwamdraden)
Netwerk zwamdraden= zwamvlok
Voortplanting:
Ongeslachtelijke voortplanting: geen versmelting van eicellen en
zaadcellen
Geslachtelijke voortplanting: altijd na versmelting van 2 cellen waarbij
genetisch materiaal in die cellen versmelt.
o Sporendragend orgaan= paddenstoel
Eetbare paddenstoelen: eekhoorntjesbrood, haneklamn hoorn van overvloed,
oesterzwam…
Giftige paddenstoelen: vloegezwam (rood met witte stippen), groene
knolamaniet, bundelmosklikjes
Planten = meercellige, eukaryotische organismen die aan fotosynthese doen.
Rijk 4 Verschil dierlijke cellen:
- Celwand= cellulose
, - Fotosynthese
- Grote zak water (stevigheid)
Fotosynthese= planten die zich voeden door het proces waarbij ze energie van
zonlicht omzetten in suikers.
• Plaats waar fotosynthese gebeurt: bladgroenkorrels
• Bladgroenkorrels bevatten pigment:
chlorofyl groene kleur
Plant= verankerd weinig beweeglijk (celwand!)
Soorten:
1. Mossen
= primitieve plant (geen vaatweefsel & echte wortel)
2. Varenachtigen
3. Zaadplanten
Naaktzadigen (geen vrucht gevormd rond hun zaden bv.
naaldbomen)
Bedektzadigen (alle planten die een vrucht rond het zaad
hebben bv. bloeiende planten)
Dieren = meercellige eukaryotische organismen
Rijk 5 - Geen fotosynthese
- Beweeglijk organisme
- Geslachtelijke voortplanting
- Beperkte groei