SAMENVATTING BEGRIPPEN AUDIOLOGIE 2 (2022/2023) 1
SAMENVATTING BEGRIPPEN BLOK 7 AUDIOLOGIE .
AUDIOLOGISCH CENTRUM = Door overheid erkend multidisciplinair gezondheidszorginstituut
gericht op diagnostiek, revalidatie & begeleiding van gehoorproblemen bij volwassenen & kinderen.
BUITENOOR = Bestaat uit oorschelp & uitwendige gehoorgang; speelt belangrijke rol in receptie
van geluid; oorschelp & gehoorgang geleiden geluid naar trommelvlies.
OORSCHELP (pinna): Heeft esthetische functie; maakt onderscheid tussen geluiden die van
voren/achteren komen; uitwendig deel van oor.
UITWENDIGE GEHOORGANG (meatus acusticus externa): Heeft beschermende functie &
vormt tevens een barrière naar trommelvlies & middenoor.
OORSMEER (cerumen): Heeft beschermende functie & voorkomt ontstekingen met
schimmels/bacteriën.
MIDDENOOR = Omvat het trommelvlies & middenoorholte, waarin zich drie gehoorbeentjes
bevinden; brengt geluidstrillingen, via gehoorbeentjesketen, over van trommelvlies naar slakkenhuis;
deel van oor tussen trommelvlies & binnenoor dat geluidsenergie focusseert.
GEHOORBEENTJES: Keten van drie gehoorbeentjes die trilling van trommelvlies overbrengt
naar binnenoor; hamer (malleus), aambeeld (incus) & stijgbeugel (stapes).
MIDDENOORHOLTE: Bekleed met slijmvlies dat aan gasuitwisseling doet & staat in
verbinding met neus-keelholte via buis van Eustachius vooraan & met luchtcellen van mastoïd
achteraan.
BINNENOORD (labyrint) = Bestaat uit twee delen: beenderig labyrint & membraneus labyrint;
derde-deel van oor; zet als microfoon geluidstrilling om in elektrisch signaal.
BUITENSTE BEENDERIGE LABYRINT: Bestaat uit vestibulum met de halfcirkelvormige of
semicirculaire kanaaltjes (SCCs) & otoliet orgaantjes (sacculus & utriculus) & uit slakkenhuis
(cochlea) met receptoren voor gehoor.
BINNENSTE MEMBRANEUZE LABYRINT: Verzameling van zakjes & buisjes gevuld met
endolymfe dat zich in het beenderig labyrint bevindt.
AUDITIEVE SYSTEEM = Sensorisch systeem met als functie verwerken van informatie in geluid;
verwerkingssysteem van geluidsinformatie (van geluidstrilling tot bewust worden).
PERIFERE AUDITIEVE SYSTEEM (PAS): Omvat de bewerking van geluid in buiten &
middenoor, analyse & omzetting van trillingen in elektrische activiteit in binnenoor &
transport van actiepotentialen in gehoorzenuw.
CENTRAAL AUDITIEF SYSTEEM (CAS): Zeer complex systeem van zenuwbanen dat begint
vanuit gehoorzenuw & eindigt in auditieve cortex; verdere verwerking van informatie uit PAS,
die uiteindelijk leidt tot herkenning van geluiden & verstaan van spraak.
, SAMENVATTING BEGRIPPEN AUDIOLOGIE 2 (2022/2023) 2
BASISELEMENTEN HOORTOESTEL = Microfoon, versterker & telefoontje (luidsprekertje).
MICROFOON: Vangt aanwezige geluid op & zet geluid om in elektrisch signaal; onderdeel
van hoortoestel dat geluid omzet in elektrisch signaal.
VERTSERKER: Versterkt elektrisch geluidssignaal; bevat meestal regelmogelijkheid voor
zowel versterking als maximale uitgangsniveau & toonregeling.
TELEFOONTJE: Element dat geluid produceert; zet (versterkt) elektrisch signaal om in
geluidstrilling & biedt geluid aan, aan het te ondersteunen oor; omvormer die elektrische
signaal in hoortoestel omzet in geluid (luidsprekertje).
HOORTOESTELGEBRUIK
Basisprincipes hoortoestel:
Hoe die aan/uit moet.
M = Microfoon; T = Ringleiding; MT = Gecombineerde stand ringleiding & microfoon.
Uitleggen wat solo apparatuur is.
Uitleggen dat je moet wennen (bv. inlopen van nieuwe schoenen).
Uitleggen functie/plaatsing van het oorstukje (schoonmaken, etc.)
OORSTUKJE = Op maat gemaakt, in het uitwendige oor passend aansluitstukje voor een hoortoestel.
Drie wensen/voorwaarden:
1. Fixatie: Oorstukje blijft zitten & niet opvallend.
2. Lekvrije overdracht: Geluid dat hoortoestel produceert moet trommelvlies in trilling brengen,
mag geen geluidsenergie verloren gaan.
3. Beïnvloeding van de frequentiekarakteristiek: Gewenste elementen van aangeboden geluid
accentueren & ongewenste elimineren.
Occlusie-effect: Effect dat afsluiting van de gehoorgang de eigen stem dof doet klinken.
MAXIMALE OUTPUT = Plafond, maximale geluid wat wordt doorgegeven; maximaal aan
versterking uit het hoortoestel kan komen (bv. belangrijk bij lage UCL).
FREQUENTIEKARAKTERISTIEK = Presentatie van geluidsweergave van toestel in
uitgangsniveau per frequentie; versterkt hoortoestel vooral lage of juist hoge tonen?
COMPRESSIE = Samendrukking van geluidsdynamiek in geluidsversterker; compressiesysteem in
hoortoestellen is versterker met hoge versterking voor zachte geluiden & lage versterking voor harde
geluiden; mogelijk doel van zo’n compressiesysteem is dat zachte geluiden net hoorbaar gemaakt
worden & harde geluiden net onder UCL blijven.
RUISONDERDRUKKING = Schakeling in hoortoestel om gewenste geluid (signaal) te bevoordelen
boven (stoor)lawaai (vooral compressie lage tonen).
SAMENVATTING BEGRIPPEN BLOK 7 AUDIOLOGIE .
AUDIOLOGISCH CENTRUM = Door overheid erkend multidisciplinair gezondheidszorginstituut
gericht op diagnostiek, revalidatie & begeleiding van gehoorproblemen bij volwassenen & kinderen.
BUITENOOR = Bestaat uit oorschelp & uitwendige gehoorgang; speelt belangrijke rol in receptie
van geluid; oorschelp & gehoorgang geleiden geluid naar trommelvlies.
OORSCHELP (pinna): Heeft esthetische functie; maakt onderscheid tussen geluiden die van
voren/achteren komen; uitwendig deel van oor.
UITWENDIGE GEHOORGANG (meatus acusticus externa): Heeft beschermende functie &
vormt tevens een barrière naar trommelvlies & middenoor.
OORSMEER (cerumen): Heeft beschermende functie & voorkomt ontstekingen met
schimmels/bacteriën.
MIDDENOOR = Omvat het trommelvlies & middenoorholte, waarin zich drie gehoorbeentjes
bevinden; brengt geluidstrillingen, via gehoorbeentjesketen, over van trommelvlies naar slakkenhuis;
deel van oor tussen trommelvlies & binnenoor dat geluidsenergie focusseert.
GEHOORBEENTJES: Keten van drie gehoorbeentjes die trilling van trommelvlies overbrengt
naar binnenoor; hamer (malleus), aambeeld (incus) & stijgbeugel (stapes).
MIDDENOORHOLTE: Bekleed met slijmvlies dat aan gasuitwisseling doet & staat in
verbinding met neus-keelholte via buis van Eustachius vooraan & met luchtcellen van mastoïd
achteraan.
BINNENOORD (labyrint) = Bestaat uit twee delen: beenderig labyrint & membraneus labyrint;
derde-deel van oor; zet als microfoon geluidstrilling om in elektrisch signaal.
BUITENSTE BEENDERIGE LABYRINT: Bestaat uit vestibulum met de halfcirkelvormige of
semicirculaire kanaaltjes (SCCs) & otoliet orgaantjes (sacculus & utriculus) & uit slakkenhuis
(cochlea) met receptoren voor gehoor.
BINNENSTE MEMBRANEUZE LABYRINT: Verzameling van zakjes & buisjes gevuld met
endolymfe dat zich in het beenderig labyrint bevindt.
AUDITIEVE SYSTEEM = Sensorisch systeem met als functie verwerken van informatie in geluid;
verwerkingssysteem van geluidsinformatie (van geluidstrilling tot bewust worden).
PERIFERE AUDITIEVE SYSTEEM (PAS): Omvat de bewerking van geluid in buiten &
middenoor, analyse & omzetting van trillingen in elektrische activiteit in binnenoor &
transport van actiepotentialen in gehoorzenuw.
CENTRAAL AUDITIEF SYSTEEM (CAS): Zeer complex systeem van zenuwbanen dat begint
vanuit gehoorzenuw & eindigt in auditieve cortex; verdere verwerking van informatie uit PAS,
die uiteindelijk leidt tot herkenning van geluiden & verstaan van spraak.
, SAMENVATTING BEGRIPPEN AUDIOLOGIE 2 (2022/2023) 2
BASISELEMENTEN HOORTOESTEL = Microfoon, versterker & telefoontje (luidsprekertje).
MICROFOON: Vangt aanwezige geluid op & zet geluid om in elektrisch signaal; onderdeel
van hoortoestel dat geluid omzet in elektrisch signaal.
VERTSERKER: Versterkt elektrisch geluidssignaal; bevat meestal regelmogelijkheid voor
zowel versterking als maximale uitgangsniveau & toonregeling.
TELEFOONTJE: Element dat geluid produceert; zet (versterkt) elektrisch signaal om in
geluidstrilling & biedt geluid aan, aan het te ondersteunen oor; omvormer die elektrische
signaal in hoortoestel omzet in geluid (luidsprekertje).
HOORTOESTELGEBRUIK
Basisprincipes hoortoestel:
Hoe die aan/uit moet.
M = Microfoon; T = Ringleiding; MT = Gecombineerde stand ringleiding & microfoon.
Uitleggen wat solo apparatuur is.
Uitleggen dat je moet wennen (bv. inlopen van nieuwe schoenen).
Uitleggen functie/plaatsing van het oorstukje (schoonmaken, etc.)
OORSTUKJE = Op maat gemaakt, in het uitwendige oor passend aansluitstukje voor een hoortoestel.
Drie wensen/voorwaarden:
1. Fixatie: Oorstukje blijft zitten & niet opvallend.
2. Lekvrije overdracht: Geluid dat hoortoestel produceert moet trommelvlies in trilling brengen,
mag geen geluidsenergie verloren gaan.
3. Beïnvloeding van de frequentiekarakteristiek: Gewenste elementen van aangeboden geluid
accentueren & ongewenste elimineren.
Occlusie-effect: Effect dat afsluiting van de gehoorgang de eigen stem dof doet klinken.
MAXIMALE OUTPUT = Plafond, maximale geluid wat wordt doorgegeven; maximaal aan
versterking uit het hoortoestel kan komen (bv. belangrijk bij lage UCL).
FREQUENTIEKARAKTERISTIEK = Presentatie van geluidsweergave van toestel in
uitgangsniveau per frequentie; versterkt hoortoestel vooral lage of juist hoge tonen?
COMPRESSIE = Samendrukking van geluidsdynamiek in geluidsversterker; compressiesysteem in
hoortoestellen is versterker met hoge versterking voor zachte geluiden & lage versterking voor harde
geluiden; mogelijk doel van zo’n compressiesysteem is dat zachte geluiden net hoorbaar gemaakt
worden & harde geluiden net onder UCL blijven.
RUISONDERDRUKKING = Schakeling in hoortoestel om gewenste geluid (signaal) te bevoordelen
boven (stoor)lawaai (vooral compressie lage tonen).