Riviergebieden........................................................................................................................................4
Zeekleilandschap....................................................................................................................................6
Veengronden..........................................................................................................................................8
Kustlandschap......................................................................................................................................10
, Zandgronden
- In Oost-Nederland (4 gebieden: Veluwe, Brabant, Drents plateau, Oost-Overijssel/Achterhoek)
- Landschappen: stuwwallandschap en dekzandlandschap
- Ontginningen: kampontginningen met plaatselijke essen, heideontginningen en bossen
Landschapselementen zandgronden
- Onregelmatige verkaveling
- Esdorpen/brinkdorpen
- Brink = centrale plek in dorp, voor bv. de schapen
- Es = grond rond het dorp, was vruchtbaar door toevoeging van organisch materiaal
- Houtwal = scheiding van essen e.a. akkers door muren van bomen en struiken op hogere gebieden,
dient soms ook om grond vast te houden. Lokaal bekend als graften, grubben, schurvelingen.
Functies: geven beschutting tegen extreem klimaat op zandgronden, vormen bron van griefhout,
fungeerde als erfafscheiding en tegen zandverstuiving
- Griefhout = hout voor eigen gebruik, zoals stookhout
- Eskdek = akkers/enkeerdgronden die na verloop van tijd steeds hoger kwamen te liggend
- Kransakkerdorpen = dorp waarbij de bebouwing om de es heen kwam te liggen
- Eenmansessen/kampen = kleine akkercomplexen om het dorp heen, van 1 familie
- Stuifzand en landduinen = door het uitputten van heide gebieden, steeds armere gronden en
steeds meer stuifzand, dit ging waaien er creëerde landduinen
- Beekdalen = beken of bredere stroomgebieden in de lage delen van zandlandschappen typisch
voor kampontginning met essen, beekdalen waren erg vruchtbaar vergeleken met de rest
- Elzensingels = stroken bomen en struiken, die de scheiding van de vruchtbare beekdalgrond
waarborgde
- Broekbos = bos wat groeide op de voorgangers van beekdalen (bredere stroomgebiedjes)
- Vloeiweide = stuk grond wat ze in de winter expres lieten overstromen, zodat het slib
sedimenteerde en de vruchtbaarheid omhoog ging
- Woeste gronden = de gebieden waar de mens vroeger niks mee deed
- Boerderijen met bakstenen en strodak kenmerkend voor kampontginning met lokale essen
- Rabatten = langwerpige ophogingen die nodig zijn om bomen te laten groeien op natte gronden
Kampontginningen met plaatselijke essen
Verkaveling: Onregelmatig
Bebouwing: Geconcentreerde bebouwing
Historische Landverdeling: locatie afhankelijk: stuwwallen, dekzanden, essen, (hoog)veengebieden
en beekdalen
Heideontginningen en bossen
Verkaveling: blokverkaveling
Bebouwing: verspreide, losstaande bebouwing
Historische landverdeling: Bossen op hogere gronden (zeker op de stuwwallen). Soms een
“hoofddorp” met lintbebouwing, ontginning vanuit een weg, soms vanuit een vaart of
afwateringskanaal
Historisch landgebruik: Overwegend akkerland, vooral na de uitvinding van kunstmest