Inhoudsopgave
Begrippenlijst Grammatica .............................................................................................................................. 1
Hoofdstuk 1 .................................................................................................................................................. 2
1.1 PERSOONSVORM ........................................................................................................................ 2
1.2 ONDERWERP ............................................................................................................................... 2
1.3 WERKWOORDELIJK GEZEGDE ..................................................................................................... 2
1.4 NAAMWOORDELIJK GEZEGDE .................................................................................................... 3
1.5 LIJDEND VOORWERP ................................................................................................................... 3
1.6 MEEWERKEND VOORWERP ........................................................................................................ 4
1.7 VOORZETSELVOORWERP (VZV) .................................................................................................. 4
1.8 BIJWOORDELIJKE BEPALING (BIJW. B.) ....................................................................................... 5
Hoofdstuk 3 .................................................................................................................................................. 6
3.1 ZELFSTANDIG NAAMWOORD...................................................................................................... 6
3.2 BIJVOEGLIJK NAAMWOORD ........................................................................................................ 6
3.3 TELWOORD ................................................................................................................................. 6
3.4 WERKWOORD ............................................................................................................................. 7
3.5 LIDWOORD .................................................................................................................................. 8
3.6.1 PERSOONLIJK VOORNAAMWOORD (PERS. VNW) ...................................................................... 8
3.6.2 BEZITTELIJK VOORNAAMWOORD (BEZ. VNW) ........................................................................... 8
3.6.3 AANWIJZEND VOORNAAMWOORD (AANW. VNW) ................................................................... 8
3.7 BIJWOORD................................................................................................................................... 8
3.8 VOORZETSEL................................................................................................................................ 9
, Hoofdstuk 1
1.1 PERSOONSVORM
1. Persoonsvorm: Het deel van de zin waarin de tijd wordt uitgedrukt van de handeling of het
gebeuren van de zin.
a. Er liep een kat.
2. Wensende zinnen:
a. Kwam Els nou maar opdagen!
3. Vragende zinnen:
a. Komt Chris vanavond nog?
4. Mededelende zinnen:
a. Vanavond komt Chris zeker niet meer.
1.2 ONDERWERP
1. Onderwerp: Het zinsdeel dat in getal met de persoonsvorm overeenstemt.
a. Er liep een kat.
2. Loos onderwerp: woordje ‘het’ als onderwerp (ook wel onderwerp van de vorm genoemd)
a. Het regent de hele dag al
b. Het spookte in dat oude huis
c. Het zat hem niet mee in het leven
d. Het lekt in de kelder
3. Herhalend onderwerp: woorden ‘die’ of ‘dat’ als onderwerp.
a. Het huis van mijn dochter, dat staat ergens op de Rijksweg.
b. Mijn broer, die zou zoiets nooit doen.
4. Plaatsonderwerp: het woordje ‘er’ als onderwerp.
a. Er stond een agent voor het consulaat.
b. Er waren handschoenen blijven liggen.
5. Getalsonderwerp: komt voor bij het plaatsonderwerp. Het plaatsonderwerp staat op de plaats
die gewoonlijk door het onderwerp wordt ingenomen. Het eigenlijke onderwerp is hier het
getalsonderwerp.
a. Er stond een agent voor het consulaat.
1.3 WERKWOORDELIJK GEZEGDE
1. Een werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden in een zin. In een werkwoordelijk gezegde zit
een hulpwerkwoord en er kan een zelfstandig werkwoord in zitten. Iemand DOET iets.
a. Dorine kwam buiten adem aangelopen.
b. De politieauto haalde ons in.
c. Het geluid stierf weg.
2. Werkwoordelijke uitdrukkingen:
a. Jo hield rekening met extra eters.
b. Met die opmerking heb ik wel een flater geslagen.
c. Dik had de veldwachter een poets gebakken.